Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat bij het door het Gerechtshof bevestigde vonnis dit feit alsmede der requiranten, toen beklaagden, schuld ^araan als bewezen is aangenomen, en ten aanzien der daaraan gegeven, uit het hoofd van dit arrest, blijkende, qualificatie is overwogen: „dat het naroepen van een ambtenaar met de woorden „kraai, kraai" beleedigend is voor dezen";

dat naar aanleiding der in hooger beroep gevoerde verdediging, dat het woord „kraai" niet beleedigend zoude zijn, bij het bestreden arrest nog is overwogen: „dat het iemand den naam geven van een vogel, die zeker niet bekend staat om zijne goede eigenschappen, op zich zelf reeds eene beleediging inhoudt, maar in dit geval over het beleedigend karakter van het woord geen twijfel aanwezig kon zijn, omdat verbalisant" — de in de dagvaarding genoemde rijksveldwachter-jachtopziener — „volgens zijne verklaring meermalen voor kraai wordt uitgemaakt en dit woord dus als scheldnaam tegen hem gebezigd wordt";

dat tegen de op dezen rechtsgrond berustende qualificatie van het bewezen verklaarde feit is gericht het middel van cassatie;

O. daaromtrent, dat taalkundig het woord „beleedigen" volgens het woordenboek der Nederlandsche taal (Deel II, blz. 1684) beteekent: „het door woord of daad iemand kwetseninzijne eer of zijn goeden naam", zoodat beleediging door het gesproken of het geschreven woord is eene uiting, waardoor men iemands eer of goeden naam aanrandt (aldaar, blz. 1685);

dat het Wetboek van Strafrecht het woord „beleediging" in geen anderen zin bezigt zoowel in het alle soorten van beleediging omvattende opschrift van Titel XVI, Boek II, als bij de strafbaarstelling van eenvoudige beleediging in art. 261;

dat dit voor zooveel noodig, wordt bevestigd door de algemeene toelichting van voormelden Titel, waarin als voornaamste vereischte van alle beleediging op den voorgrond wordt gesteld „de aanwezigheid van den animus injuriandi, omschreven als het oogmerk hetzij om iemands eergevoel te kwetsen, hetzij om, in de oogen van anderen, iemands eer te verminderen";

dat het opzet om te beleedigen als subjectief vereischte van dit misdrijf aldus omschreven, als objectief vereischte onderstelt, eene uitdrukking, waardoor werkelijk iemands eergevoel kan worden gekwetst of in de oogen van anderen iemands eer kan worden verminderd en hij alzoo in zijn goeden naam kan worden aangerand, in welk opzicht eenvoudige beleediging niet afwijkt van smaad of smaadschrift bij andere punten van verschil, die blijken uit eene vergelijking van art. 266 met art. 261 Strafrecht;

dat er nu wel dieren zijn, wier namen, ingeval daardoor personen worden aangewezen, in de volkstaal, als duidende op slechte of eerkwetsende eigenschappen, een min of meer beleedigend karakter dragen, maar dat de kraai, door welke goede of minder goede eigen-