Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en verkregen, dat aanteekening zal worden gedaan in het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting, dat beklaagde te zijner verdediging aanvoert: „dat hij beklaagde zich ter rechtvaardiging van de door hem erkende handelingen beroept op het tuchtrecht wat hij ten aanzien van de knapen J. M. en T. C. bezat";

O. dat het arrest op het punt in het middel genoemd geen motiveering inhoudt, doch dat het volgens de wet die niet behoefde in te houden;

O. toch, dat het hier niet geldt eene omstandigheid, die afgescheiden van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit, de strafbaarheid opheft, zooals bv. in de gevallen der artt, 40, 41, 42, 43 Strafrecht, in welke een gemotiveerde beslissing omtrent het al of niet bestaan van zoodanige omstandigheid noodig is als de beklaagde er zich op heeft beroepen;

O. dat nu wel tot het wezen van „mishandeling", volgens het taaleigen en de verklaring van art. 300 Strafrecht in de vergadering der Tweede Kamer van 4 Nov. 1880 van regeeringswege gegeven, behoort, dat het opzet zij gericht op bet toebrengen van lichamelijk letsel of het veroorZaken van pijn als doel, niet als middel tot bereiking van een ander geoorloofd doel, als hoedanig eene binnen de grenzen der noodzakelijkheid beperkte kastijding van een kind door ouders of onderwijzers in aanmerking kan komen;

dat echter waar, gelijk hier, aan het hoofd eener school zeer ernstige feiten zijn ten laste gelegd, opzettelijk gepleegd tegen een van de leerlingen dier school, welke in het algemeen vallen onder de qualificatie van mishandeling, het beroep op zijn recht van kastijding door den beklaagde gedaan, eenvoudig is eene ontkentenis van het opzet, tot mishandeling vereischt, alzoo eene verdediging tegen de aanklacht, omtrent welker verwerping de rechter in geval van veroordeeling niet verplicht is rekenschap te geven;

O. dat mitsdien het voorgestelde middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

W. 7723.

78 ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK ROTTERDAM. Zitting van 20 October 1925. Art. 300 W. v. Str.

Het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel levert niet mishandeling op, indien de dader een geoorloofd doel nastreeft en bij de toepassing van de middelen tot bereiking van dat doel niet bewust de grenzen der redelijkheid overschrijdt.