Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden, de linkerboezem van het hart en de aorta werden geraakt en hij kort daarna ten gevolge van de daardoor ontstane bloeding is overleden;

O. dat de Rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting als bewezen aanneemt in het kort;

dat beide beklaagden, dienstdoende, M. als inspecteur en S. als agent van politie, bij de opsporing van twee van misdaad verdachte mannen, van wie zij met grond mochten vermoeden, dat zij, in het bezit van een groot door berooving verkregen bedrag aan geld, de vlucht hadden genomen, zich tezamen met een derden politieman, den agent d. H., in genoemden nacht hebben bevonden vóóraan in een donkere nauwe gang van ruim zes meter lengte en bijna één meter breedte, die de verbinding vormt tusschen den zolder van de in de dagvaarding bedoelde maalderij en de woning van Ambrosius, den conciërge van die maalderij;

dat Ambrosius toen, staande achter de deur, die zijn woning van die gang afsluit, leven heeft gemaakt om de mannen, die hij hoorde en die hij voor inbrekers hield, schrik aan te jagen;

dat hunnerzijds de politiemannen, niet wetende dat zich achter-die deur een woning bevond, doch in de vaste overtuiging, dat zij de gezochte misdadigers op het spoor waren, dat deze zich achter die deur ophielden en aldaar revolverschoten hadden gelost, de gang verder zijn ingeloopen om hen te arresteeren;

dat toen met een slag een stuk van een paneel van de deur voor de voeten van den inspecteur is gevallen;

dat daarop de inspecteur, door het gat in de deur een man ziende en meenende, dat de misdadigers, achter de deur opgesloten, een uitval wilden wagen en door de nauwe gang langs de politie wilden ontvluchten, eenige schoten heeft gelost uit zijn dienstrevolver om schrik aan te jagen en daarna nog een laatste schot in de richting van de deur en wel op een afstand van pl.m. 3 meter;

dat bij dit schot zijn bedoeling was een der misdadigers, die hij achter de deur waande, te treffen en buiten gevecht te stellen.;

dat door dit schot Ambrosius niet is getroffen;

dat na het eerste schot van den inspecteur ook de agent d. H. heeft geschoten en vervolgens de beklaagde S. de revolver uit de hand van d. H. overnemende, drie of meer schoten heeft gelost, ook op een afstand van plan. 3 meter in de richting van de deur, eveneens met de bedoeling de gewaande misdadigers te treffen en buiten gevecht te stellen;

dat één der schoten van S. Ambrosius heeft getroffen in de borst en deze dientengevolge kort daarop is overleden;

Wat nu de te laste legging betreft:

O. dat vooreerst niet bewezen is, dat een der beklaagden het opzet heeft gehad Ambrosius of eenigen man achter de deur van het leven te berooven;