Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegde en bewezen verklaarde niet insluit dat aan Lambert Hooyer pijn of letsel is toegebracht, hetgeen een noodzakelijk vereischte zou zijn voor een veroordeeling wegens mishandeling;

dat het Gerechtshof naar aanleiding van die, ook in hooger beroep door verdachte's raadsman geopperde stelling heeft overwogen: „dat het Hof deze opvatting niet deelt en met den Politierechter van oordeel is, dat het opzettelijk met geweld een persoon in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden en lichamelijk leed heeft ondervonden, zooals ter dagvaarding gesteld en in het vonnis is bewezen verklaard, oplevert „mishandeling" als bedoeld in art. 300 Sr.;

dat vorenaangehaalde overweging kenlijk aldus is te verstaan, dat, naar 's Hofs oordeel, het een ander opzettelijk met geweld in een kanaal duwen, tengevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden, het toebrengen van lichamelijk leed insluit, zoodat niet kan opgaan de grief van het derde middel, als zou het Hof, blijkens bedoelde overweging, daarin namelijk sprekende van:" en lichamelijk leed heeft ondervonden", terwijl in de dagvaarding sprake is van „derhalve lichamelijk leed heeft ondervonden", niet op den grondslag der telastlegging hebben beraadslaagd en beslist;

dat dus het derde middel niet tot cassatie kan voeren;

dat verder het onder de vastgestelde omstandigheden een ander opzettelijk met geweld in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden, door het Gerechtshof en den Politierechter terecht als „mishandeling" is aangemerkt, volgende dit niet alleen uit de taalkundige beteekenis van dit woord, doch ook uit de geschiedenis der totstandkoming van art. 300 Sr.;

dat toch in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp (art. 324) onder „mishandeling" werd verstaan het door eenige daad aan een ander opzettelijk lichamelijk leed toebrengen of opzettelijk diens gezondheid benadeelen;

dat vervolgens de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal betwijfelend, of het gebruik van de uitdrukking „lichamelijk leed" wel in de Nederlandsche taal geoorloofd was, aan de Regeering de vraag heeft gesteld, of lichamelijk leed niet een contra-dictio in terminis vormde, „omdat leed alleen voor moreele smart gebezigd wordt" (Smidt, II, 2e druk, blz. 475), en ook in verband daarmede voor het artikel een nieuwe redactie heeft aangegeven, welke door de Regeering is overgenomen en waarin het door eenige daad aan een ander opzettelijk lichamelijk leed toebrengen in den algemeenen term „mishandeling" is opgegaan;

dat, gelijk hieruit volgt, het niet de bedoeling is geweest van de Commissie van Rapporteurs, dat met eenigen vorm van „lichamelijk leed" bij de bepaling van hetgeen „mishandeling" zou zijn, geen rekening zou mogen worden gehouden, met andere woorden: om de oorspronkelijke redactie in dien zin te beperken;