Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan een ander dan aan requirant, en dat hij, terwijl hij als beambte bij de Naaml. Venn. „Nieuwe Uitgevers Maatschappij" werkzaam was, opzettelijk een drietal andere stukken, bij dagvaarding onder 4°, 5° en 6° letterlijk weergegeven, welke stukken toebehoorden aan een ander dan requirant en welke hij in voormelde qualiteit onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

O. dat die feiten zijn gequalificeerd en deswege straf is opgelegd als aan het hoofd dezes is vermeld;

O. wat betreft het eerste middel, luidende:

„Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 310 en 321 j° 1 Strafr. en van de artt. 1, 211, 216, 221, 246 en 247 Strafv., doordat het Hof bevestigd heeft het vonnis der Rechtbank, waarbij requirant is schuldig verklaard aan diefstal en verduistering, bij welk vonnis nochtans aan het door de wet gevorderde element „het oogmerk om zich het goed wederrechtelijk toe te eigenen" en „wederrechtelijke toeëigening" eene verkeerde uitlegging is gegeven, hebbende althans de Rechtbank onvoldoende en onjuist met redenen omkleed, waarom zij in casu het oogmerk om zich de stukken „1, 2 en 3" toe te eigenen en de toeëigening der stukken „4, 5 en 6" heeft aangenomen, zoodat het vonnis te dien aanzien onvoldoende met redenen is omkleed".

dat blijkens het vonnis namens requirant bij de behandeling der zaak voor de Rechtbank is betwist dat ten deze aanwezig zoude zijn het oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening of dat wederrechtelijke toeëigening Zou hebben plaats gevonden;

dat de Rechtbank naar aanleiding daarvan heeft overwogen, daardoor tevens de voorafgaande bewezenverklaring nader toelichtende: „dat.... beklaagde, die stukken brengende naar getuige W., ten einde die te doen fotografeeren en daardoor de bekendmaking van derzelver inhoud mogelijk te maken, — terwijl hij, zooals uit zijne opgaven en de verklaringen der getuigen voortvloeit, wist, althans moest begrijpen, dat hij verplicht was dien inhoud geheim te houden en dat de bekendmaking van dien inhoud geschiedde tegen den wil van getuigen S. en van V. — ten opzichte van die stukken verrichtte een daad van feitelijke heerschappij, zooals alleen aan den eigenaar dier stukken zoude toekomen en waardoor hij ten aanzien dier stukken die heerschappij aan dien eigenaar ontnam; — dat zulks oplevert wederrechtelijke toeëigening in den zin van de artt. 310 en 321 Strafr.";

terwijl de Rechtbank verder ten aanzien der bij dagvaarding sub 1° en 2° omschreven stukken overwoog:

„dat daarbij zonder belang is dat beklaagde de stukken, vermeld onder 1° en 2°, weder ten kantore der Uitgeversmaatschappij heeft teruggebracht, omdat al hadde bij daartoe reeds het plan gehad bij de wegneming dier stukken, hetgeen overigens niet gebleken is, zulks niet afdoet aan het feit dat bij die stukken wegnam met gezegd oogmerk