Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van wederrechtelijke toeëigening waardoor de diefstal voltooid was";

dat blijkens een en ander ten aanzien dier beide stukken de Rechtbank vooreerst als vaststaande heeft aangenomen, dat requirant die stukken weder heeft teruggebracht ten kantore der nieuwe uitgeversmaatschappij, vanwaar hij ze blijkens zijn erkentenis had weggenomen, voorts niet heeft uitgemaakt dat het plan tot die teruggave niet bestond pij de wegname der stukken, en het oogmerk tot wederrechtelijke tceëigening bij requirant aanwezig heeft geacht op den enkelen grond, dat hij bij de wegname der stukken het oogmerk had ze bij getuige W. te doen fotografeeren en de bekendmaking van den inhoud mogelijk te maken, zulks onbevoegdelijk en tegen den wil van de belanghebbenden, naar aanleiding waarvan de Rechtbank dan aanneemt dat requirant over die stukken als heer en meester heeft beschikt en de heerschappij daarover aan den eigenaar heeft ontnomen;

O. dat het cassatiemiddel terecht hiertegen opkomt;

dat toch, wat van requirants oogmerk bij de wegname dier beide, later door hem teruggebrachte, stukken feitelijk vaststaat,in het algemeen slechts oplevert het oogmerk tot een tijdelijk en beperkt gebruikmaken daarvan;

dat nu het oogmerk tot een, zij het ook wederrechtelijk, tijdelijk gebruik van eenig goed niet noodzakelijk medebrengt het oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening, hetwelk insluit het oogmerk tot uitoefening der uitsluitende en onbeperkte heerschappij over het goed;

dat daarom de Rechtbank uit de als bewezen aangenomen feiten niet zonder meer had mogen beslissen, dat requirant ten aanzien van die stukken de heerschappij aan den eigenaar ontnam, maar óf nader had moeten motiveereh waarom dit ten deze het geval was öf had moeten onderzoeken en beslissen dat requirant bij de wegneming dier stukken het voornemen tot teruggave niet had;

dat de Rechtbank, een en ander nalatende, baar vonnis niet behoorlijk met redenen heeft omkleed, waardoor zij heeft geschonden art. 221 Strafv. waartegen art. 223 van dat Wetboek nietigheid bedreigt, terwijl het Hof, door desniettemin het vonnis der Rechtbank te bevestigen, die beide artikelen heeft geschonden in verband met de artt. 239 en 247 Strafv.;

dat waar reeds op dezen grond het arrest moet woraen vernieugu, een onderzoek naar hetgeen bij het eerste middel omtrent de andere stukken is aangevoerd en naar het tweede en derde middel overbodig is;

Vernietigt het arrest door het Gerechtshof te 's-Gravenhage den 7en Maart 1917 in deze zaak gewezen;

En recht doende krachtens art. 106 R. O.: Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam om, met instandhouding der gegeven vrijspraak, op het bestaande hooger beroep te worden berecht en afgedaan.

W. 10133.