Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ceeren als „wegnemen" van die electrische energie, bedoeld in art. 310 Strafr."

Bij het bestreden arrest is aangenomen, dat een hoeveelheid electrische energie is eenig „goed", dat aan iemand kan „toebehooren" en kan worden „weggenomen" met het oogmerk van „toeëigening". Hieromtrent overwoog de Rechtbank in het te dien aanzien bevestigd vonnis:

„dat bij het stilzwijgen der wet daaromtrent het woord goed, in art. 310 Strafr., op zich zelf niet dwingt tot de opvatting, dat daaronder alleen zoude kunnen worden verstaan een lichamelijk voorwerp, zaak;

„dat diefstal, Vermogensdelict, is het met het oogmerk zich dat toe te eigenen tegen den wil van den eigenaar aan diens bezit, aan diens vermogen onttrekken van een deel van dat vermogen, dus van een vermogensobject;

„dat electrische energie zonder twijfel als zoodanig is te beschouwen;

„dat (toch) tot het verkrijgen daarvan moeten worden gemaakt kosten voor kolen, kunstwerken, machinerieën, arbeid, door hem die ze zich vergaart, en deze door het doen van die uitgaven komt in het bezit van een object dat door hem weder kan worden benut te eigen behoeve of tegen contra-praestatie aan derden verhandeld, alzoo van een object, dat zekere waarde vertegenwoordigt en dus is een deel van zijn vermogen"

Ook mij komt het voor, dat door deze opvatting aan het begrip diefstal, zooals het in art.*310 Strafr. is omschreven, geweld wordt aangedaan. Met name kan ik aan Rechtbank en Hof niet toegeven, dat diefstal elk „vermogensobject" tot voorwerp kan hebben, doch meen ik dat dit misdrijf alleen kan worden gepleegd ten opzichte van stoffelijke voorwerpen, die ik, om alle misverstand te voorkomen, nog nader zou willen aanduiden als deelen der ruimte. Art. 310 Strafr. spreekt van eenig goed, dat aan een ander toebehoort, t.w. in eigendom, en dat wordt weggenomen met het oogmerk van toeëigening. Eigendom en toeëigening nu kunnen, wanneer men die begrippen niet in overdrachtelijken zin bezigt, alleen betrekking hebben op stoffelijke voorwerpen en hetzelfde geldt van wegnemen.

In het algemeen is de strafwetgeving allerminst de plaats om woorden in overdrachtelijken zin te gebruiken; daar pleegt men zich te houden aan de nuchtere werkelijkheid. Wanneer men elders wel spreekt van wetenschappelijken, letterkundigen en artistieken eigendom en de schending daarvan met den naam diefstal bestempelt, vindt men dan ook in de strafwetgeving die uitdrukkingen niet terug. Het auteursrecht is een vermogensobject, waarvan alles geldt, wat in het laatste lid der door mij uit het vonnis aangehaalde overweging omtrent verkrijging, benutting en verhandeling van dergelijke objecten wordt gezegd. Toch valt de inbreuk op dit recht niet onder art. 310 Strafr., doch onder art. 31 der Auteurswet 1912. Evenmin valt onder art. 310, doch alleen onder art. 337 Strafr. de inbreuk op den z.g.n. eigendom van een handels- of f abrieks-

18