Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook aanwezig is in die gevallen, waar door verpanding, in prolongatie geven of beleening over pandbrieven of andere effecten werd beschikt, daar immers in dit beschikken reeds een daad van strafbare toeëigening is gelegen en een weer inlossen of verruilen van het onderpand aan het reeds gepleegde misdrijf zijn strafbaar karakter niet ontneemt".

Dit middel heeft betrekking tot de 90ste overweging van het aangevallen arrest, waar de voor beklaagden gevoerde verdediging wordt besproken en weerlegd.

Het middel geeft intusschen slechts een deel van die overweging terug en laat het hoofd en het slot der overweging weg.

Zoowel op den aanhef als op het slot vestig ik daarom uwe bijzondere aandacht en wel het meest op den aanhef, waarin het Hof uidrukkelijk vooropstelt: „dat bij al de als bewezen aangenomen verduisteringen de voor dat misdrijf noodige opzettelijke, wederrechtelijke toeëigening in den zin van art. 321 Strafr. aanwezig is, met name ook bij de geldverduisteringen door den beklaagde de G. gepleegd en bij de verduisteringen van pandbrieven en andere effecten, waar beklaagden over die stukken door verpanding, in prolongatie geven of beleenen hebben beschikt;

„dat toch, ook al moge beschikken over eens anders geld niet altijd en onder alle omstandigheden verduistering zijn en al mocht ook de bedoeling en de hoop van den beklaagde de G., om de gelden of effecten, indien mogelijk te rechter tijd weer te restitueeren, zijn aan te nemen, van een gegrond vooruitzicht, van eene redelijke verwachting voor dien beklaagde, om dit te kunnen doen, niets is gebleken, waar die beklaagde zelf erkent, dat zijn eigen vermogen, ten gevolge van ongelukkige speculaties al sedert lang verloren was gegaan".

Het komt mij voor, dat door deze feitelijke beslissing omtrent het opzet van requirant en het bij dezen bestaande gemis aan de „facultas restituendi", de toepassing van art. 321 j°. 322 volkomen is gerechtvaardigd en dat er na dien in dit geding geen plaats meer is voor de bij dit middel beweerde schending van dit artikel, ook al mocht pleiter, wat ik hem niet toegeef, gelijk hebben in zijn beweren, dat in hetgeen verder door het Hof ten allen overvloede overwogen wordt, een tnin juiste beschouwing is geslopen.

Zoodanige onjuiste rechtsbeschouwing, die op het dictum zelf geen invloed heeft uitgeoefend, kan volgens uwe vaststaande jurisprudentie niet tot cassatie leiden.

Ik herhaal echter, dat naar mijne overtuiging ook het door requirant gewraakte deel der overweging juist is.

Wie opzettelijk wederrechtelijk eens anders goed verpandt, geeft daarbij aan den pandhouder de macht en bevoegdheid, om indien hij, pandgever, in gebreke blijft, het pand te gelde te doen maken en uit de opbrengst de schade te verhalen, die hij door het in gebreke blijven van den pandgever anders zou geleden hebben en nu moge de pandgever