Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich nog zoozeer gevleid hebben met de meer of min gegronde hoop, dat hij het nooit zoover zou laten komen, dit neemt niet weg, dat bij opzettelijk en wederrechtelijk over het pand meer macht heeft uitgeoefend en wetende dat hij die niet bezat, heeft overgedragen, dan hem daarover toekwam en dat hij, wetende dat hij daardoor den waren eigenaar van het pand schade zou doen, voor het geval dat hij in gebreke mocht blijven, over dat pand als heer en meester heeft beschikt, het voor dat geval weerloos gemaakt en van zijne bestemming afgewend heeft.

Ik verwijs ten deze kortheidshalve naar de conclusie van mijn ambtsvoorganger Mr. Parijn, voorafgaande aan uw arrest van 21 Jan. 1889, W. 5678.

Hoe verleidelijk het ook zij, zal ik bij dit punt intusschen niet langer stil staan, omdat gelijk gezegd, ook al mocht gij aannemen, dat de gewraakte rechtsbeschouwing minder juist is, dat toch nimmer tot cassatie van eene volkomen juiste beslissing zou kunnen leiden.

Het laatste middel betreft de rechtsverhouding, waarin den Directeur van een Naamlooze Vennootschap tot die Vennootschap staat.

Beweerd wordt, dat in deze geschonden of verkeerd toegepast zijn, art. 322 Strafr. in verband met de artikelen 1583, 1585 B. W. en de artikelen 44 en 45 W. v. K., doordat het Hof besliste, dat de wetgever met de uitdrukking persoonlijke dieristbetrelddhg van art. 322 Strafr. iets anders en iets meer heeft willen zeggen, dan hetgeen in het B. W. huur van diensten werd genoemd en met die uitdrukking ook het oog heeft gehad op de voortdurende en vaste relatie van den Directeur tot de door hem vertegenwoordigde vennootschap, ook al mag die relatie naar civiel recht, als die van lastgeving zijn op te vatten.

Ook dit verweer is reeds bij Rechtbank en Hof gevoerd en door beide Colleges ongegrond bevonden. Gij vindt de weerlegging daarvan in de laatste alinea der 101e overweging van het vonnis bl. 72 en 73 en in de 103e en 104e overweging van het arrest bl. 246 en volgende.

Het Hof gaat daarbij uitvoerig de geschiedenis van art. 322 na en toont daaruit m.i. op afdoende wijze aan, dat onder de gebezigde uitdrukking persoonlijke dienstbetrekking naar den wil van den wetgever stellig is te begrijpen de rechtsbetrekking van den Directeur eener Naamlooze Vennootschap tot die Vennootschap.

Pleiter trachtte nogmaals het tegendeel staande te houden en beweerde dat die verhouding zonder twijfel geen dienstbetrekking is.

Hij deed daarbij een beroep op Lyon—Caen et Renault, Traité du droit Commercial tome II p. 687 §§ 810, 811, wier meening echter m.i. op goede gronden weerlegd is door A. Vavasseur, Traité des Sociétés Civiles et Commerciales 5e édition tome II p. 18*—30, 3e édition tome II p. 17—27.

Voorts beriep hij zich op de jurisprudentie, die echter juist op dit punt zeer weifelend is; zoo lees ik in uw arrest van 18 Jan. 1901