Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. 7553 het laatste, waarin naar mijn weten de quaestie is behandeld:

„Zoo men de verhouding der bestuurders tot de vennootschap al kan aanmerken, als voortvloeiende uit een overeenkomst van lastgeving".

Ook de doctrine aarzelde tot kort eene besliste meening over den juisten aard dezer verhouding uit te spreken en weifelde tusschen lastgeving en huur van diensten.

Zoo Molengraaff en zijne Leiddraad 2e druk, eerste stuk, bl. 159, die erkennende dat de jurisprudentie overhelt tot lastgeving, echter dienstbetrekking juister acht.

Zeer beslist is echter Mr. Drucker, die bij de toelichting van zijn op last van den Minister van Justitie uitgegeven ontwerp van wet tot regeling der Arbeidsovereenkomst op bl. 35 zegt: „In de derde plaats wordt opgemerkt, dat het ontwerp van toepassing is op bestuurders van naamlooze vennootschappen. Daarop opzettelijk de aandacht te vestigen schijnt wenschelijk, omdat eene in Nederland zeer verspreide rechtsleer de verhouding tusschen de naamlooze vennootschap en hare bestuurders uitsluitend als lastgeving opvat. Dat daarin een element van lastgeving ligt, in zoover de bestuurder bevoegd is, de vennootschap tegenover derden te vertegenwoordigen is onbetwistbaar. Doch men mag niet voorbijzien, dat er tegelijkertijd bestaat dienstbetrekking, gelijk door de Duitsche wetgeving, rechtspraak en wetenschap eenstemmig wordt aangenomen en ook ten onzent in den laatsten tijd is erkend".

Met die meening hebben de Ministers Cort van der Linden, Loeff en van Raalte zich vereenigd, zie de Memorie van Toelichting bij het ontwerp der wet op de arbeidsovereenkomst ingediend 28 Jan. 1904 § 7. Bijlagen 1903/4 no. 137, de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Eerste Kamer, Handelingen der Eerste Kamer 1906/7, bl. 366 2e kolom en de rede van den Minister van Raalte gehouden op 4 Juli 1907, Handelingen der Eerste Kamer 1906/7 bl. 530, waarbij de Minister betoogde, dat, wat de rechtsverhouding betreft, deze voor dienstmeisjes, bootwerkers, onderwijzers, chemici en directeuren van vennootschappen, ondanks alle verscheidenheid in het wezen der zaak dezelfde is nl. die van dienstbetrekking ontstaande waar de een tegen loon zijn arbeidskracht hetzij materieele, hetzij intellectueele, voor zekeren tijd ter beschikking stelt van een ander.

En met die opvatting, met dat beginsel hebben de beide Kamers der Staten-Generaal zich vereenigd en daaraan heeft de Koningin op 13 Juli jl. haar sanctie gegeven, zoodat de wet thans beslist, dat de rechtsbetrekking tusschen den Directeur eener Naamlooze Vennootschap en die Vennootschap is eene persoonlijke dienstbetrekking.

Ik acht dus ook het laatste middel voor u onaannemelijk en concludeer tot verwerping dezer voorziening.

De Hooge Raad, enz.;