Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dollars, te voren namens P. K. J. P., lid der firma A. C, ingevolge daartoe van den eigenaar ontvangen opdracht, aan de Holl. Hypotheekbank verstrekt als onderpand eener door de firma C. bij haar gesloten prolongatie, en welke stukken requirant uit hoofde zijner bovenbedoelde dienstbetrekking — anders dan door misdrijf — onder zich had; O. ten aanzien van het vijfde middel van cassatie: dat de hierop betrekkelijke overweging van het arrest in haar geheel luidt: „dat opzettelijk wederrechtelijke toeëigening ook aanwezig is in die gevallen, waar door verpanding, in prolongatie geven of beleening, over pandbrieven of andere effecten werd beschikt, daar immers in dit aldus beschikken reeds eene daad van strafbare toeëigening is gelegen, en een weer inlossen of verruilen van het onderpand na korter of langer tijd, gelijk in casu bij meerdere dier effecten plaats vond, aan het reeds gepleegde misdrijf zijn strafbaar karakter niet ontneemt; te minder, waar dit meerendeels geschiedde met andere effecten of gelden, weer door andere verduisteringen verkregen";

O. dat bovenstaande overweging moet worden in verband beschouwd met de daaraan voorafgaande, luidende: „dat, naar het oordeel van den Hove, bij al de blijkens het hierboven overwogene als bewezen aangenomene verduisteringen de voor dat misdrijf noodige opzettelijk wederrechtelijke toeëigening, in den zin van art. 321 Strafr., aanwezig is, met name ook bij de.... verduisteringen van pandbrieven en andere effecten, waar beklaagden over die stukken door verpanden, in prolongatie geven

of beleenen hebben beschikt; dat toch, al mocht ook de bedoeling,

en de hoop van beklaagde de G., om de effecten, indien mogelijk

ter rechter tijd weer te restitueeren, zijn aan te nemen, van een gegrond vooruitzicht, van eene redelijke verwachting voor dien beklaagde om dit te kunnen doen, niets is gebleken; waar die beklaagde zelf erkent, dat zijn eigen vermogen ten gevolge van ongelukkige speculaties al sedert lang verloren was gegaan";

dat alzoo het Hof aanneemt, dat de requirant, door aan anderen toebehoorende effecten te verpanden, in prolongatie te geven of te beleenen, zonder gegrond vooruitzicht of redelijke verwachting van ze te rechter tijd te kunnen teruggeven, terwijl zijn vermogen, volgens zijne erkentenis, al sedert lang was verloren gegaan, die effecten, ook al heeft hij ze na korter of langer tijd ingelost of verruild, opzettelijk wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

dat door deze beslissing, overeenstemmende met het in genoemd art. 321 vervat begrip van toeëigening, als het eigenmachtig als heer en meester beschikken over eenig goed door den houder in strijd met den aard van het recht, krachtens hetwelk deze het onder zich heeft, de in het middel vermelde artikelen niet zijn geschonden of verkeerd toegepast;

O. dat het zevende middel van cassatie wel is waar is gericht tegen de weerlegging in het arrest van een uitsluitend door den raadsman van