Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

requirants medebeklaagde gevoerd betoog, dat op dezen art. 322 Strafr. niet zou toepasselijk «m, doch deze weerlegging, enkel bevattende rechtskundige beschouwingen, tevens betreft de strafbaarheid van de ten laste van den requirant als bewezen aangenomen feiten, op wien dan ook, als slotsom dier beschouwingen, genoemd artikel mede is toepasselijk verklaard;

O. wat het middel zelf aangaat, dat, al moet onder „persoonüjke dienstbetrekking" in gezegd artikel, ook blijkens zijne geschiedenis in verband met die van art. 321, worden verstaan de rechtsbetrekking, geboren uit huur van diensten, daaruit niet volgt, dat het niet zou toepasselijk zijn op bestuurders eener naamlooze vennootschap, die, gelijk ten deze is ten laste gelegd en bewezen verklaard, een vast traktement, en alzoo loon genieten;

dat toch, ofschoon zij lasthebbers zijn in zoover zij de vennootschap vertegenwoordigen, als hoedanig zij worden beschouwd bij art. 45 W. v. K., zij tevens tot haar in dienstbetrekking staan, voor zoover zij te haren behoeve tegen loon werkzaamheden verrichten;

dat dan ook, volgens de lezing van art. 322 in art. 349 van het oorspronkelijk regeeringsontwerp, de daar bepaalde strafverzwaring werd toepasselijk verklaard, op verduistering gepleegd door personen, behoorende tot verschillende rubrieken, waaronder ook die van bestuurders van eene naamlooze vennootschap; dat nu wel, ten gevolge van het overleg tusschen de commissie van rapporteurs en de regeering, de „limitatieve opsomming van het ontwerp" werd vervangen door de thans geldende algemeene bepaling, doch geenszins om bedoelde rubrieken en bepaaldelijk genoemde bestuurders aan de strafverzwaring te onttrekken, maar alleen, om in die bepaling uit te drukken „den rechtsgrond der strafverzwaring", gelegen, volgens de Mem. van Toel. in „het bijzonder vertrouwen, dat in het maatschappelijk verkeer in sommige personen, die een bepaald beroep uitoefenen, noodzakelijk moet kunnen gesteld worden", hoedanig vertrouwen in een bestuurder als voormeld onontbeerlijk mag worden geacht; O. dat alzoo geen der voorgestelde middelen gegrond is; Verwerpt het beroep.

W. 8637.

84 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 6 December 1915.

Art. 321 W. v. Str.

Een winkelbediende, die belast is met den verkoop en de aflevering der zich in den winkel bevindende waren tegen daarvoor vastgestelde prijzen en overeenkomstig die bevoegdheid suiker ter aflevering had