Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrekking onder zich heeft, en voor R. L. als verduistering, en beiden werden veroordeeld.

Uit het onder b en c overwogene vloeit voort, dat de Rechtbank het te laste gelegde zich samen in vereeniging toeëigenen heeft opgevat niet in den meest voor de hand liggenden zin, dat ieder der beide beklaagden een handeling zou hebben verricht, die ten opzichte van hemzelven of van haar zelve als daad van toeëigening zou moeten worden beschouwd, doch zóó, dat alleen de eerste beklaagde zulk een handeling zou hebben verricht, en dat de tweede op de onder c omschreven wijze aan die handeling van den eersten zou hebben deelgenomen, die zou hebben „medegepleegd", echter zonder daarbij iets te doen, wat te haren eigen opzichte zou kunnen worden beschouwd als een toeëigeningsdaad. Mij dunkt, dat deze uitlegging der telastelegging met hare woorden niet geheel onvereenigbaar is. Ik kom hierop terug bij de bespreking van het tweede cassatiemiddel, onderdeel a.

Voorts merk ik tot beter verstand der zaak op, dat het bonnetje, waarvan hier sprake is, dezen naam eigenlijk niet verdient, daar het blijkens de verklaring van den getuige Hartog, in het vonnis opgenomen, den vertooner niet „goed" verklaarde om zekere waren te ontvangen, doch slechts het bedrag vermelde, dat de kooper aan de kas had te betalen, alvorens hij het gekochte mocht medenemen.

Het in eersten aanleg gewezen vonnis werd bij het nu bestreden arrest in allen deele bevestigd. De eerste requirant heeft geen middelen van cassatie aangevoerd; voor de tweede echter zijn er bij pleidooi twee voorgedragen. Het eerste daarvan luidt:

„Schending, immers verkeerde toepassing der artt. 211, 214, 221, 233 en 239 Strafv. in verband met de artt. 321 en 322 Strafr., doordat het Hof, het vonnis der Rechtbank bevestigende, daarmede ten onrechte heeft beslist, dat een winkelbediende, die alleen met verkoop en aflevering van waren belast is, die waren anders dan door misdrijf onder zich heeft."

De bedoeling is te bestrijden, dat de eerste requirant de winkelgoederen onder zich gehad zou hebben, gelijk in het bevestigde vonnis is beslist. Deze beslissing is echter feitelijk en alzoo op zich zelve in cassatie onaantastbaar. Blijkens de in het middel als geschonden voorgestelde wetsartikelen strekt dit dan ook eigenlijk slechts om de wijze te bestrijden, waarop deze beslissing met redenen is omkleed.

Het komt mij voor, dat deze bestrijding niet zal kunnen baten. Uit de verklaring van den getuige Hartog, dat de eerste beklaagde in den winkel als bediende werkzaam was, kon de Rechtbank reeds afleiden, dat hij de winkelwaren en dus ook de suiker, waarom het hier ging, onder zich had. Immers deze mocht hij aan de gegadigden tegen vastgestelde prijzen verkoopen; dit te doen was juist zijn werkkring. Tusschen hem en de in den winkel aanwezige goederen bestond dus de in art. 321 Strafr. vereischte verhouding, dat hij daarover ongestoord kon beschikken (verg.