Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blok in den laatsten jaargang van het T. v. Sr. blz. 376 vlgg.). Dat niet met hem alleen, doch ook met den winkelchef deze verhouding bestond, is geen bezwaar; ook meer personen kunnen het goed onder zich hebben (Blok t. a. p.). En in het bijzonder ten aanzien van de vijf pond suiker, in de telastelegging bedoeld, mocht de Rechtbank te eer beslissen, dat hij die onder zich had, omdat door de getuigenverklaringen en de erkentenis der tweede requirante tegenover deze vaststond, dat de eerste die suiker reeds voor haar had „gereed gemaakt" — wat niet anders kan beteekenen dan afgewogen en verpakt — doch die nog niet had afgeleverd, toen hij daarover door het overgeven van het bonnetje in strijd met zijn recht beschikte. Op dat oogenblik had hij dan toch zeker die suiker onder zich. Het tweede middel luidt:

„Schending, immers verkeerde toepassing der artt. 211, 214, 221, 233 en 239 Strafv. in verband met de artt. 47 sub 1 en 321 en 322 Strafr., doordat het Hof, het vonnis der Rechtbank bevestigende, daarmede ten onrechte heeft beslist:

a. dat mededaderschap aan een misdrijf mogelijk is, zonder dat de mededader pleegt een der constitutieve misdrijfselementen, zijnde in het onderhavige geval eene veroordeeling wegens mededaderschap aan verduistering uitgesproken, zonder dat bewezen is verklaard, dat de requirante eenige daad van wederrechtelijke toeëigening heeft gepleegd;

b. dat mededaderschap aan een misdrijf mogelijk is, wanneer en nadat het misdrijf door den dader zeiven is voltooid, zijnde toch bij het vonnis der Rechtbank beslist, dat de toeëigeningshandeling voltooid was door het overgeven van het bonnetje door den eersten beklaagde aan de requirante, waarmede mitsdien het misdrijf voltooid was, zoodat handelingen van requirante, nadien gepleegd, hoogstens begunstigingshandelingen kunnen zijn, maar nooit handelingen van mededaderschap."

De bewezenverklaring, welke volgens onderdeel a in het vonnis zou worden gemist, is daarin wel degelijk te vinden; de Rechtbank immers neemt aan, dat de tweede requirante de toeëigeningshandeling van den eersten heeft medegedeeld. De strekking van het middel is dan ook eigenlijk wederom, dat deze beslissing niet behoorlijk met redenen is omkleed, omdat datgene, waarin de Rechtbank dit medeplegen ziet, de constitutieve elementen van het misdrijf van verduistering niet bevat.

De toeëigeningsbehandeling van requirant v. W. was hierin gelegen, dat hij het bonnetje aan requirante L, overgaf, die dit aannam. Dit overgeven en aannemen was het sluiten van een koopovereenkomst ten opzichte van de door haar gevraagde winkelwaren, waaronder de vijf pond suiker, tegen een lageren prijs dan daarvoor was vastgesteld, of — wil men het liever zóó — het sluiten van een schenkingsovereenkomst ten opzichte van de suiker, welke zij op den koop der waren, waarvan het bonnetje den juisten prijs vermeldde, toe zou mogen nemen. In het sluiten van een dezer beide overeenkomsten toch lag voor v. W. reeds