Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar alzoo geen der aangevoerde middelen tot cassatie kan leiden, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, namens de tweede requirante voorgesteld bij pleidooi: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat den beklaagden, blijkens het gemelde vonnis, in de eerste plaats is te laste gelegd, dat zij te Amsterdam op 30 Dec 1914 in een perceel aan het Rapenburg, alwaar een Kruidenierswinkel van S. de Wit werd gedreven, tezamen en in vereeniging opzettelijk, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend een hoeveelheid van omstreeks vijf pond witte suiker, aan S. de Wit, althans aan een ander dan aan hen beklaagden of aan een hunner toebehoorende, welke suiker de eerste beklaagde in zijne betrekking van bediende bij den winkelchef aldaar, J. Hartog, althans bij gemelden de Wit had onder zich gekregen om haar aan gegadigden in gemelden winkel in verkoop af te leveren, hebbende de eerste beklaagde die suiker uit voorschreven hoofde anders dan door misdrijf onder zich;

O. dat dit telaste gelegde is bewezen verklaard met dien verstande, dat de voormelde suiker toebehoorde aan en dat beklaagde v. W. bediende was bij de Wit, waaraan de Rechtbank toevoegt: a. „dat v. W. de zich in den winkel bevindende waren, met welker verkoop en aflevering hij belast was, anders dan door misdrijf onder zich had";

O. dat bij het eerste middel wordt opgekomen tegen deze uitspraak, doch in het kader der bewezen verklaarde feiten ten onrechte, Haar v. W. volgens zijne bij de bewijslevering gebezigde verklaring belast was met den verkoop en de aflevering der zich in den winkel bevindende waren tegen daarvoor vastgestelde prijzen en hij overeenkomstig die bevoegdheid de bij dagvaarding bedoelde hoeveelheid witte suiker ten behoeve van requirante L. had gereedgemaakt en klaar gelegd, zoodat hij die suiker, waarover hij binnen de grenzen zijner opdracht de feitelijke heerschappij uitoefende- en beschikte, anders dan door misdrijf onder zich had; O. met betrekking tot het tweede middel:

dat blijkens den inhoud van het aangevallen vonnis de toedracht der zaak deze is geweest dat v. W. toen de requirante L. verschillende waren, waaronder 5 pond witte suiker voor ƒ 120 bij hem bestelde, deze waren voor haar gereed gemaakt en klaargelegd heeft, en daarop bij de berekening van het door haar verschuldigde bedrag die eveneens voor haar gereed gemaakte suiker, welke een weinig afzonderlijk was komen te liggen, niet beeft medeberekend, waardoor hij tot een totaal bedrag van ƒ 1.59 in plaats van / 2.79% is gekomen;

dat hij eerstgenoemd getal op een bonnetje heeft ingevuld en het overeenkomstig de in den winkel gevolgde gewoonte aan de requirante