Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft ter hand gesteld, opdat deze de waren, na op vertoon van het bonnetje het daarop vermelde bedrag aan de kas te hebben betaald, zoude kunnen medenemen, dat de requirante het bonnetje heeft aangenomen en zich daarmede naar de kas heeft begeven;

O. dat de Rechtbank na de bovengemelde bewezenverklaring nog heeft doen volgen:

„b. dat hij (namelijk v. W.) zich de suiker heeft toegeëigend door het overgeven van het bonnetje, waarop hij die voor beklaagde L. klaar gelegde suiker opzettelijk niet in rekening gebracht had, waardoor hij in verband met den in dien winkel heerschenden regel over de suiker beschikte in strijd met zijn recht; en

„c. dat de mededaderschap van beklaagde L. hierin bestaan heeft, dat zij voormeld bonnetje heeft aangenomen met de bedoeling om, na betaling van het daarop vermelde bedrag, de suiker mede te nemen, hoewel zij wist, dat onder dat bedrag de winkelprijs van die suiker niet begrepen was";

O. dat het tweede middel zich tegen deze beslissingen der Rechtbank richt, en*dit te recht;

O. toch dat nu zij uitmaakt, dat v. W. zich de suiker had toegeëigend door het overgeven van het bonnetje, daarmede was komen vast te staan, dat hij alleen het misdrijf had gepleegd, immers hij alleen had beschikt over de waar en alzoo van deelneming daaraan door een mededader, niet meer de rede kon zijn;

O. dat de als bewezen aangenomen handeling van de requirante L., namelijk het aannemen van het bonnetje om die reden niet als medeplegen kan worden opgevat en in het vonnis dan ook voor de opzettelijk wederrechtelijke toeëigening, welke aan beide beklaagden als door hen te zamen en in vereeniging gepleegd was te laste gelegd, geen voldoende gronden zijn aangevoerd, zoodat de Rechtbank door deze niettemin bewezen te verklaren de artt. 211, 221 en 223 Strafv. heeft geschonden, en het Hof door, met overneming der gronden die uitspraak te bevestigen diezelfde artikelen in verband met art. 239 Strafv. heeft geschonden;

O. dat alzoo het aangevallen arrest behoort te worden vernietigd en dit, nu de gronden waarop het is gebouwd, ondeugdelijk blijken, ook geldt voor den requirant v. W.;

Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, den 24 Juni 1915 in deze zaak gewezen;

Recht doende krachtens art. 106 R. O.:

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, om op het bestaande hooger beroep te worden berecht en afgedaan.

W. 9907.