Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

85 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 28 Juni 1926. Art. 321 W. v. Str.

Voor het „onder zich hebben" kan een bloot feitelijke machtsverhouding niet onder alle omstandigheden voldoende worden geacht.

M. M. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 April 1926, waarbij requirant is veroordeeld ter zake van 2. diefstal.

De Hooge Raad, enz.,

Gelet op de middelen van cassatie:

3. „Schending... in verband met en als gevolg van de schending der in middel I en II aangehaalde wetsvoorschriften:

van artikel 310 j°. 321 Str. door te beslissen, dat beklaagde diefstal op de eenmaal aan Busch toebehoord hebbende voorwerpen zou hebben gepleegd, zulks niettegenstaande de beklaagde volgens zijne erkentenis,— zooals het Hof die weergeeft in zijn arrest en als waarachtig aanneemt door dezelve volledig in de bewijsconstructie tegen hem te gebruiken, — zijn voornemen tot toeëigening dier goederen in geen geval eerder heeft opgevat en uitgevoerd dan nadat hij het lijk van Busch met al die goederen achter slot en grendel in zijn kelder heeft weggesloten enkel om zich buiten te gaan beraden en zonder dat bij op dat oogenblik, ook maar eenig misdadig voornemen koesterde, zoodat hij het lijk met die goederen toen anders dan door misdrijf onder zich had."

O. dat, ter beoordeeling van het derde cassatiemiddel, van belang zijn de navolgende opgaven van requirant, waarop het Hof heeft recht gedaan;

a. (ter terechtzitting in hooger beroep) „dat hij uit vrees dat een ander het lijk van Busch zoude zien, dit heeft opgenomen en langs een smal trapje heeft gedragen in den kelder onder de vestibule, alwaar hij dit lijk op een paar zakken heeft neergelegd; dat hij na den kelder te hebben afgesloten, naar buiten is gegaan en in het nabij gelegen café Suisse een glas bier heeft gedronken;

dat, nadat bij bet verlaten van het café, de gedachte bij hem was opgekomen, toch niet al het geld en goed op het lijk te kunnen laten, hij is teruggekeerd in dien kelder en toen, terwijl de kelderdeuren waren gesloten, van dat lijk genomen heeft een. zwarte portefeuille, uit den binnen vestzak een aantal papieren, waaronder het vorenbedoeld accept, een dolkmes, een gouden horloge met slagwerk, een gouden kettingringetje,