Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. toch vooreerst, dat voor het onder ach hebben in den zhj: van artikel 321 Sr. een bloot feitelijke machtsverhouding niet onder alle omstandigheden voldoende kan worden geacht en dan ook in vele onbetwistbare diefstalgevallen aan de wegnemingsdaad een toestand van onmiddellijke, zelfs uitsluitende, feitelijke machtsverhouding kan voorr afgaan; dat trouwens de strafwet zelf kent het geval van aan den diefstal voorafgegaan geweld, waarbij zich de toestand kan voordoen dat vóór het plegen van den diefstal het lijk van den te berooven, en tengevolge van het geweld overleden, persoon, zich in de uitsluitende feitelijke,macht van den dader bevindt; dat nu wel in zulk een geval — anders dan in het onderhavige — het geweld juist met het oog op den diefstal is gepleegd, doch uit een en ander toch wel blijkt dat de wet in voorschreven geval een wegnemingsdaad, dus een daad van tot zien nemen, mogelijk acht, terwijl bij de totstandkóniing van ons Strafwetboek niet is gebleken van eenige bedoeling om typische beroovingshandelingen, in strijd niet hethistorisch geworden verduisteringsbegrip, tot het misdrijf van art. 321 Sr. te rekenen;

O. voorts dat ten deze vaststaat, dat hier geen sprake is van het toevertrouwd zijn der goederen aan requirant, noch ook van eenige rechts.-1 verhouding, waaruit het onder zich hebben der goederen noodwendig Zou voortvloeien, doch uitsluitend van een daad van requirant zelf, welke de feitelijke verhouding tot meerbedoelde goederen heeft in het leven geroepen; dat dan echter voor het onder zich hebben toch in ieder geval noodig is dat men desbewust tot de goederen in een feitelijke machtsverhouding staat, hetgeen met de voorwerpen, welke requirant, volgens de bewezenverklaring, van het lijk van Busch heeft genomen, en met welker bestaan hij vóór die handeling zelfs niet bekend was, niet kan worden aangenomen; dat van eenige bedoeling om reeds bij het wegbergen van het lijk zich de voorwerpen, welke daarop mochten aanwezig zijn; aan te trekken en deze, hetzij met eerlijke, hetzij met oneerlijke bedoelingen, onder zich te nemen, niets is gebleken; dat ook de vage gedachte van requirant na het verlaten van het café, dus na het wegbergen van het lijk, dat hij toch niet al het geld en goed op het lijk kon laten, in den toen bestaanden toestand geen verandering kan brengen, en met name zeker niet tot uitwerking kon hebben dat nu een onmiddellijke feitelijke Verhouding van requirant tot de goederen was ontstaan; dat dan ook moet worden aangenomen dat requirant de bewuste voorwerpen eerst door de later gepleegde daad van tot zich nemen onder zich kreeg'; dat requirant immers, zoekende naar het accept, de bankbiljetten zag en daarna het plan bij hem opkwam te onderzoeken of Busch nog meer bij zich had; dat hij de andere goederen het lijk heeft „afgenomen" en het lijk van het geld „heeft beroofd", welke beide door requirant zelf gebezigde uitdrukkingen wel niet beslissend zijn voor het rechtskarakter der gepleegde feiten, doch anderzijds toch niet zijn Zonder beteekenis voor de waardeering van de feitelijke verhouding van requirant tót de zich op het lijk