Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewaren en op zijn naam op een spaarbankboekje te plaatsen en niet dan met haar toestemming daarvan af te halen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend";

O. dat het Hof het bewezenverklaarde heeft gequalificeerd als voorzegd;

Wat het middel betreft, ten aanzien van de onderdeelen a en b:

O. dat deze blijkens de toelichting hierop steunen, dat de gelden, welke requirant van de eigenaresse Th. J. Bolder had ontvangen, zijn eigendom zijn geworden, toen hij die gelden overeenkomstig haar opdracht te zijnen name op de gemeentelijke spaarbank had geplaatst, Zoodat de bedragen, welke bij van de spaarbank terughaalde, hem toebehoorden, en bij niet geacht kan worden zich deze wederrechtelijk te hebben toegeëigend;

O. dat blijkens het vonnis van de Rechtbank ter harer terechtzitting als getuigen hebben verklaard:

Th. J. Bolder: „dat zij verkeering had met verdachte en in December 1931 met hem in ondertrouw is opgenomen; dat zij met verdachte had afgesproken dat, wanneer deze een nieuwe zaak zou hebben verkregen, zij met hem trouwen zou; dat zij omstreeks einde Maart 1932 aan verdachte heeft ter hand gesteld een bedrag van ƒ 2000 met opdracht dat geld voor haar te bewaren door het op zijn naam op een spaarbankboekje te zetten, hem daarbij uitdrukkelijk zeggende dat hij het alleen mocht gebruiken om er een nieuwe zaak voor te koopen en dat hij het niet zonder haar toestemming van de spaarbank mocht afhalen; dat zij hem ook daarna nog meermalen heeft gezegd, dat hij voor een ander doel niet aan het geld mocht komen en zij hem nimmer recht of vergunning heeft gegeven tot een zoodanig doel over bedoeld aan haar toebehoorend geld te beschikken; dat zij van verdachte in het geheel slechts ƒ 175 heeft terugontvangen;"

en W. Koomen: „dat hij in Mei 1932 zich tot verdachte heeft gewend teneinde te trachten het geld, dat de vorige getuige volgens haar zeggen aan verdachte in bewaring had gegeven, van dezen terug te krijgen; dat verdachte die teruggave toen weigerde en zeide: ,, „ik bewaar het geld voor haar en er is niemand, die er aan komt";"

O. dat de Rechtbank hieruit heeft kunnen afleiden, dat requirant die / 2000 niet in eigendom, doch enkel als bewaarnemer van Th. J. Bolder onder zich heeft gekregen, met de last deze gelden ten zijnen name op gezegde spaarbank te plaatsen, en dat requirant de bedragen, welke hij op verschillende tijdstippen van de op de spaarbank gestorte / 2000 weder terughaalde, niet als eigenaar maar wederom als bewaarnemer voor de eigenaresse onder zich had, zoodat hij die bedragen, toen bij deze ten eigen bate aanwendde en niet tot het doel, waarvoor de eigenaresse dit geld bestemd had, zich wederrechtelijk toeeigende;

O. toch dat noch het aan requirant ter hand stellen van het geld met de