Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opdracht om het te zijnen name op de gemeentelijke spaarbank te plaatsen, noch die plaatsing zelve den eigendom ervan op hem deed overgaan, nu een en ander geschiedde onder uitdrukkelijk voorbehoud,dathemhet geld enkel in bewaring werd gegeven, en hij het niet zonder toestemming der lastgeefster van de bank mocht afhalen en er alleen voor een bepaald doel over mocht beschikken;

O. dat deze beide onderdeelen derhalve ongegrond zijn;

O. ten aanzien van het onderdeel c van het middel:

dat het verweer door requirant èn voor de Rechtbank èn voor het Hof gevoerd, bestond in de ontkenning, dat hij van getuige Bolder de ƒ 2000 had ontvangen om dit geld voor haar te bewaren, waarbij hij beweerde dit geld van haar ten geschenke te hebben gekregen;

dat in de beslissing van de Rechtbank, dat van het telastegelegde het bewijs in voege als voormeld is geleverd, tevens is gelegen de bepaalde beslissing, dat requirants verweer faalt, zoodat eene nadere beslissing op dat verweer overbodig is;

O. dat het middel derhalve in geen zijner drie onderdeelen tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.

Ned. Jur. 1933, bl. 580.

87 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 23 Mei 1898.

Art. 326 W. v. Str.

„Wederrechtelijk" beteekent: in strijd met het recht.

A. J. S. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van den 24 Febr. 1898, waarbij, de req. is 'schuldig verklaard aan oplichting en te dier zake, krachtens de artt. 10 en 326 Strafrecht, veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi:

Schending van art. 221 Strafvord. in verband met de artt. 1 en 326 Strafrecht;

Overwegende, dat bij de vijfde overweging van het bij het bestreden arrest in zoover bevestigde vonnis als bewezen is aangenomen: „dat de be-