Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaagde omstreeks half December 1895 te Dossen, A. J. van der P., huisvrouw van A. R., heeft bewogen hem een bedrag van / 3 af te staan ter gedeeltelijke betaling van een certificaat van aandeel in eenige premieloten tot 21 Dec. 1897, bestaande dit gedeelte uit een tiende gedeelte in de (loten) zooals die in de dagvaarding zijn omschreven, zijnde deze persoon tot die afgifte bewogen door beklaagde's valschelijk, immers in strijd met de waarheid, gedane opgaven, dat hij de heer de G. uit Gorinchem was;

„dat hij aan D. de G., zijnde haar buurman en bekende, juist ƒ 800 had uitbetaald, door dezen op een dergelijk certificaat getrokken en dat men, een dergelijk certificaat koopende, behalve dat men kans had op aanzienlijke prijzen, er in elk geval met den koopprijs uitkwam en dien terugkreeg";

O. dat de Rechtbank voorts in de achtste overweging van haar vonnis, met welke overweging het Hof zich mede heeft vereenigd, heeft beslist, dat zij:

„a. in de omstandigheid zooals die haar als voorzegd" — namelijk in de zevende overweging — „bij eigen onderzoek is gebleken, dat het certificaat hoogstens eene waarde heeft van ƒ 4;

6. in de omstandigheid, zooals die uit de gemelde verklaringen der echtelieden R. en de opgaaf van den beklaagde is gebleken, dat hij slechts enkele dagen na den verkoop den koopprijs van het certificaat met ƒ 5 ongevraagd verminderde en wel om de onware reden, dat er ƒ 5 op gevallen zoude zijn, en toen verzocht om uitbetaling van de overige ƒ 7, die voor het certificaat nog verschuldigd waren, even zoovele aanwijzingen ziet, die, in haar onderling verband en samenhang beschouwd, aantoonen, en derhalve wettig en overtuigend bewijzen, dat toen de beklaagde de getuige van der P. door zijne valsche opgaven bewoog om hem voor het certificaat ƒ 3 in mindering te betalen, hij zulks deed met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordeelen";

O. dat het aldus ten laste van den beklaagde als bewezen aangenomen feit is gequalificeerd „oplichting", en dat hiertegen ter ondersteuning van het middel van cassatie in hoofdzaak is aangevoerd: dat het vonnis geen rekening heeft gehouden met het woord „wederrechtelijk" in art. 326 Strafrecht; dat de dagvaarding spreekt van „betaling", terwijl in het vonnis herhaaldelijk spraak is van „koop en verkoop", alzoo praestatie van weerszijde (van waar en prijs);

dat in deze onderstelling geen „bedrog" kan bestaan, dat toch „wederrechtelijk" is in strijd met het recht, bij name met het privaatrecht, en deze qualificatie dus is uitgesloten, waar eene volgens het B. W. geldige overeenkomst is gesloten; dat eindelijk om „het oogmerk om Zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen" te kunnen aannemen eene wederrechtelijke bevoordeeling (objectief) mogelijk moet wezen, wat hier het geval niet zoude zijn;

O. hieromtrent, dat hetgeen ter ondersteuning van het middel van