Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cassatie wordt aangevoerd, in de eerste plaats berust op de stelling, dat burgerrechten)* in geen geval eene overeenkomst zoude kunnen tot stand komen, die het gevolg is van door eene der partijen gepleegd bedroe- dat echter deze stelling is onjuist, als in strijd met de artt. 1364, 1485 1488 1489, 1490, 1492 B. W., waaruit volgt, dat eene overeenkomst, tot het aangaan waarvan de eene partij de andere door bedriegeliike kunstgrepen heeft bewogen, niet is volstrekt nietig, maar alleen betrekkelijk vernietigbaar op de binnen den door art. 1490 B.W. bepaalden termijn door den bedrogene in te stellen rechtsvordering;

O voorts dat art. 326 Strafrecht, waar het als oplichting kenmerkt het met het daar omschreven oogmerk en de daar aangewezen middelen iemand bewegen tot afgifte van eenig goed, niet onderscheidt onder welken titel die afgifte plaats heeft en daaronder dus ook kan vallen de afgifte van geld als prijs van eene gekocht en al of niet reeds geleverde waar;

dat verder, waar art. 326 Strafrecht onder de vereischten van „oplichting", voorop stelt „het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen", het woord „wederrechtelijk" in dit artikel, gelijk in alle andere artikelen van het Tweede Boek van het Wetboek, waarin het voorkomt, zijne nadere verklaring vindt in de toehchtmg van art. <u van gemeld Wetboek (art. 52 van het oorspronkelijk regeeringsontwerp), waarin werd te kennen gegeven, dat „de uitdrukking w e d e r r e c ht e 1 ij k bij de omschrijving van bepaalde misdrijven (alleen dan is) gebezigd, wanneer er gevaar kon zijn, dat anders ook hij die vanzimrecht gebruik maakte" — wat zeker niet gezegd kan worden van hem, die een ander door bedriegelijke middelen beweegt tot het aangaan van een koop en de geheele of gedeeltelijke betaling van den koopprijs—„zonder daarom juist uitvoering te geven aan een wettelijk voorschrift, in de bepaling der strafwet zoude vallen"; ,

O. eindelijk ten aanzien van requirants bewering, dat voor bet wezen van ophchting de door den dader beoogde wederrechtelijke bevoordeeling „objectief" mogelijk moet wezen, dat de vraag of zoodanige bevoordeeling mogelijk »s, is van feitelijken aard, en dat hier die mogelijkheid door den rechter, die daarover te oordeelen had, is aangenomen; terwijl uit de voorafgaande overwegingen van dit arrest volgt,dat de door den req. beoogde bevoordeeling, zoo zij mogelijk was, ook was wederrechtelijk als het gevolg van een ook door het B. W. bij het aangaan van overeenkomsten gewraakt bedrog;

O. mitsdien, dat het eenig middel van cassatie is ongegrond; Gezien art. 347 Strafvord.;

Verklaart den req. niet-ontvankelijk in Zijn beroep, voor zoover dit is gericht tegen de in het arrest vervatte vrijspraak; Verwerpt overigens het beroep.

W. 7134.