Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat bij het door het bestreden arrest bevestigde vonnis met qualificatie en strafoplegging, gelijk hierboven is vermeld, ten laste van requirant is bewezen verklaard, dat hij te Utrecht, op 15 Jan. 1020, met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordeelen. F. A. A. C, winkelchef bij S. W., heeft bewogen tot afgifte aan hem, beklaagde, van de in de dagvaarding nader omschreven goederen, door opzettelijk, listiglijk en bedriegelijk, ten einde hem in de waan te brengen, dat hij voor die leverantie het daarvoor verschuldigde bedrag van/65127 zou ontvangen, terwijl bij, beklaagde, wist, dat hij bij na te melden bankvereeniging geen crediet had en voor boven vermeld bedrag te zijnen behoeve evenmin dekking aanwezig zou zijn bij na te melden bankvereeniging (bedragende zijn saldo bij die bankvereeniging toen slechts ƒ 4.75), aan gemelden C. te vertoonen en af te geven, een gezegelde toen vrij wel waardelooze cheque, luidende: No. 2817. Utrecht den 16en Jan. 1920. Utrechtsche Bankvereeniging te Utrecht. Gelieve te betalen aan S. W. of order, de somma van zes honderd een en vijftig gulden, zeven en twintig cent: zegge / 651.27 (onderteekend) S. den O.;

O. ten aanzien van het voorgestelde middel:

dat blijkens de bij pleidooi gegeven toelichting de grondslag van dit middel is, dat het vertoonen en de afgifte van de in de telastelegging omschreven cheque niet zou opleveren een listige kunstgreep als bedoeld in art. 326 Strafr.;

dat, zooals uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel volgt, onder listige kunstgrepen moeten worden verstaan handelingen, geschikt om leugenachtige voorgevens en valsche voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten;

dat de afgifte van bovenbedoelde cheque onder de in de dagvaarding genoemde omstandigheden een dergelijke handeling oplevert;

dat immers deze afgifte C. in de meening kon brengen en dan ook, gelijk Rechtbank en Hof feitelijk aanemen, gebracht heeft, dat bij het voor de leverantie verschuldigde bedrag van ƒ 651.27 zou ontvangen en daartoe ook een geschikt middel was, waar, zooals feitelijk is komen vast te staan, deze chèque was getrokken op een in Utrecht bestaande bankvereeniging in den bij die bankvereeniging gebruikelijken vorm;

dat dit middel dus is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

W. 10650.