Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zee, buiten de territoriale wateren, het Nederl. Stoomvisschersvaartuig „Hope" Y. M. 115, toebehoorende aan de Maatschappij „Labor" kantoor houdende te IJmuiden, opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken, door opzettelijk zoodanig water in voormeld schip te doen stroomen en door machineriën onklaar te maken, dat voornoemd schip „Hope" in de Noordzee is gezonken — het Gerechtshof in het bestreden arrest dit feit met beklaagdes schuld daaraan, wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, met dien verstande, dat beklaagde de uidokking deed te IJmuiden en dat M. de „Hope" heeft doen zinken in vereeniging met een ander persoon omstreeks 18 April 1913;

dat het Hof, na vernietiging van een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Haarlem van 5 Maart 1914, waarbij beklaagde was vrijgesproken, dit alzoo bewezene heeft gequalificeerd en deswege straf heeft opgelegd, gelijk hierboven is vermeld;

O. ten aanzien van het vierde middel:

dat hierin in de eerste plaats wordt betoogd, dat art. 352 Strafr. op het bewezen verklaarde feit niet toepasselijk is, wijl het Hof niet bewezen heeft geacht, dat het opzet van M. gericht was op het wederrechtelijke der door hem gepleegde handeling, zoodat het feit, dat deze gepleegd heeft en requirant zou hebben uitgelokt geen strafbaar feit zou zijn;

O. hieromtrent:

dat art. 352 Strafr., al moet ook de gepleegde handeling wederrechtelijk zijn, niet vordert, dat het opzet van den dader op dat wederrechtelijke zou zijn gericht;

dat toch in dit artikel niet gesproken wordt van een opzettelijk wederrechtelijk vernielen enz. van een aan een ander toebehoorend gebouw of vaartuig, maar van een handeling, die „opzettelijk en wederrechtelijk" verricht moet zijn;

dat nu door de tusschenvoeging van het woord en de begrippen „opzettelijk" en „wederrechtelijk" naast elkander zijn gesteld, zoodat het laatste niet wordt beheerscht door het eerste;

dat mitsdien slechts behoeft vast te staan, gelijk ten deze als bewezen is aangenomen, dat de door de wet omschreven handeling opzettelijk is verricht, en tevens, dat zij wederrechtelijk zij;

O. dat in dit middel in de tweede plaats wordt geklaagd, dat art, 352 voornoemd, toepasselijk is geacht zonder dat is ten laste gelegd, onderZocht of bewezen verklaard, dat het opzet van M. en zijn mededader was gericht niet alleen op het doen zinken, maar ook op het onbruikbaar maken van het schip, wijl toch een gezonken schip geenszins altijd of noodzakelijker wijze onbruikbaar zou zijn;

dat echter ook deze grief tegen het bestreden arrest niet gegrond is daar de rechter, die over de feiten had te oordeelen, met grond mocht aannemen, dat hij, die een stoomvisschersvaartuig in de Noordzee buiten de territoriale wateren, derhalve op een afstand van meer dan drie zee-