Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

appèl, heeft vereenigd en dit heeft bekrachtigd, echter onder eenige wijzigingen, waarvan de derde strekt om in bovenaangehaalde overweging, in plaats van de woorden: „althans moetende begrijpen", te lezen: „althans moetende begrijpen en begrijpende";

O. dat naar aanleiding dezer feiten tot ondersteuning van het middel is aangevoerd dat, blijkens het woord „althans", was gedaan eene alternatieve te laste legging, welke de Rechtbank, in plaats van uit hare beide leden eene keus te doen, geheel heeft overgenomen, doch met weglating der woorden „en begrijpende" aan het slot van het laatste lid; dat hierdoor de Rechtbank den req. ook schuldig heeft verklaard aan een feit, waarop art. 416 Strafrecht, niet toepasselijk is, omdat dit artikel opzet vordert, en in het bloot moeten begrijpen, misschien wel een hooge graad van culpa, doch geen opzet opgesloten is; dat, dewijl uit dien hoofde uit het vonnis niet blijkt, of zoodanig bloot moeten begrijpen van de misdadige herkomst dan wel het kennen van die herkomst van het gekochte is aangenomen, het Hof dit vonnis wegens schennis van art. 221 Strafvord. had moeten vernietigen en zelf recht doen, maar niet kan volstaan met het te bekrachtigen onder bovenomschreven wijziging van de lezing;

O. hieromtrent, dat de dagvaarding door Rechtbank en Hof is opgevat als bevattende geenszins eenig alternatief van onder bereik der strafwet vallende te laste leggingen, maar de te laste legging van feiten té zamen uitmakende één enkel misdrijf, te weten dat van heling overeenkomstig art. 416 Strafrecht, terwijl dat gedeelte der omschrijving, waaraan het cassatiemiddel wordt vastgeknoopt, het oog heeft op het vereischte van strafbare heling dat het te laste gelegde koopen van door misdrijf verkregen goed opzettelijk moet hebben plaats gehad;

dat zulk opzet niet alleen bestaat bij stellige wetenschap van de misdadige herkomst van het gekochte, maar ook, gelijk dat in de onderwerpelijke te last legging werd omschreven, bij bestaan van eene zóódanige mate van inzicht in die herkomst, dat het gelijk staat met weten; dat het arrest door aan de beslissing in het vonnis omtrent requirants koopen „wetende, althans moeten begrijpen" toe te voegen de in de te last legging ook voorkomende woorden „en begrijpende", niets anders heeft gedaan dan uitdrukking geven aan 's Hofs opvatting, dat het vonnis, waar het opgrond van de gebleken omstandigheden aannam dat req. althans had moeten begrijpen» dat hij door misdrijf verkregen goed kocht, aannam, dat .dit zijn moeten begrijpen zich tot begrijpen en dientengevolge tot een met weten gelijk te stellen inzicht uitstrekte;

dat door deze opvatting, waarvan de juistheid onvatbaar is voor onderzoek in cassatie vaststaat, dat reeds in eersten aanleg de rechter, die over de feiten oordeelt, het voor strafbare heling vereischte opzet bij den req. heeft aangenomen en hiermede de grondslag van het middel vervalt;

Rechtdoende: