Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„begrijpen", in den boven aangeduiden zin, juist datgene wat in het dagelijksch leven veelal als „weten" wordt aangemerkt. Bedoelt men een „weten" als bovenbedoeld, dan versterkt men de uitdrukking door te spreken van zeker weten, enz.

Naar mijn oordeel nu is, voor het bestaan van het in art. 416 Swb. gevorderd opzet, voldoende, dat de dader eene zoodanige overtuiging heeft van de misdadige herkomst, als hierboven onder „begrijpen" werd aanwezig geacht. Hij heeft dan in den gewonen zin van het woord die herkomst geweten. Bij de bijzondere beteekenis in dit geval aan weten in de telastelegging gehecht, is dan te rijmen, dat eenerzijds van het geweten hebben wordt vrijgesproken en anderdeels het misdrijf van art. 416 Swb. aanwezig wordt geacht en is door laatstbedoelde beslissing dat artikel geenszins geschonden.

Voor vergelijking komen in aanmerking Uwe arresten van 27 Juli 1895, W. 6709,30 Juni 1902, W. 7804,30 Jan. 1905, W. 8175,25 April 1905, W. 8213 en 13 Mei 1918, W. 10292; zie verder Simons Dl. I, ht 158, Dl. II, bl. 121, Leerboek le druk.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi, luidende: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat bij inleidende dagvaarding aan den requirant was ten laste gelegd, dat bij op of omstreeks 3 Jan. 1918, te Est, gemeente Est en Opijnen, opzettelijk eene hoeveelheid meel heeft gekocht van J. G. in ieder geval bedoeld meel opzettelijk uit winstbejag heeft verborgen, wetende, althans begrijpende dat dat meel door misdrijf was verkregen;

dat de Rechtbank de telastelegging niet bewezen heeft geacht en den requirant heeft vrijgesproken;

dat echter van het ten laste gelegde bij het bestreden arrest ten laste van den requirant wettig en overtuigend bewezen is verklaard, dat hij op 3 Jan. 1918 te Est, gemeente Opijnen, opzettelijk eene hoeveelheid meel heeft gekocht van J. G., begrijpende, dat dat meel door misdrijf was verkregen, zulks met qualificatie en strafoplegging als boven is vermeld;

dat het Hof voorts, overwegende, dat niet is bewezen, dat beklaagde heeft geweten, dat het meel door misdrijf was verkregen, het vonnis der Rechtbank heeft bevestigd, voor zooveel de beklaagde daar bij is vrijgesproken van de wetenschap der misdadige herkomst van het meel;

O. ten aanzien van het middel:

dat dit blijkens de toelichting berust op het betoog, dat art. 416 Strafr. ook krachtens zijne geschiedenis voor heling als eisch stelt de wetenschap van de misdadige herkomst van het goed, zijnde een enkel begrijpen, niet opleverend eene zóó sterke overtuiging, dat zij als wetenschap is aan te