Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merken, ter zake niet voldoende, dat dus het Hof, de uitdrukkingen „weten" en „begrijpen" in de dagvaarding niet vereenzelvigend, doch de telastelegging als eene alternatieve opvattend en requirants wetenschap ten deze niet bewezen achtend, hem niet ter zake van „begrijpen" had mogen veroordeelen doch ook in dit opzicht het vrijsprekend vonnis des eersten rechter had moeten bevestigen; O. hieromtrent:

dat inderdaad in het bestreden arrest de telastlegging op genoemd punt als eene alternatieve is opgevat, maar dit niet belet, dat, nu het Hof als bewezen aannam, dat de requirant de misdadige herkomst van het meel begreep, hij ook terecht is schuldig verklaard aan het misdrijf van heling, daar de wet voor het voor dat misdrijf vereischte opzet niet eischt de stellige wetenschap, doch daarvoor voldoende is zoodanig inzicht des daders ten aanzien van de misdadige herkomst van het goed, als uit het „begrijpen" dier herkomst volgt;

O. dat derhalve het middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.

W. 10341.

92 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 31 Mei 1920. Art. 417bis W. v. Str.

Voor de toepasselijkheid van art. 417bis moet de dagvaarding de omstandigheden inhouden, waaruit volgt, dat het aan de schuld van dengeen, die een der in het artikel omschreven handelingen verricht, te wijten is, dat zijne handeling een door misdrijf verkregen voorwerp betreft.

Het enkele feit, dat hij die voorwerpen koopt, zich niet vergewist, op welke wijze de verkooper de voorwerpen had verkregen, kan op zichzelf niet als eene zoodanige omstandigheid worden aangemerkt.

J. 't H., is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 11 Maart 1920, waarbij in hooger beroep een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Almelo van den 9 Dec 1919 werd bevestigd, bij welk vonnis requirant ter zake van het „eenig voorwerp koopen, terwijl het aan zijne schuld te wijten is, dat zijne handeling een door misdrijf verkregen voorwerp betreft," driemalen gepleegd, met toepassing van de artt. 57 en 417&Ü Strafr., werd veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Jhr. van Meeuwen; Gehoord den Adv.-Gen. Ledeboer, namens den Proc.-Gen., in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;