Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overwegende, dat bij inleidende dagvaarding aan requirant was te laste gelegd, dat hij op 6, 15 en 16 Sept, 1919 telkens te Almelo van H. A. G. een rijwiel heeft gekocht, terwijl aan zijn schuld te wijten is geweest, dat hij door misdrijf verkregen rijwielen kocht, doordat hij er Zich niet van vergewist heeft, op welke wijze gemelde G. gemelde rijwielen had verkregen, immers hebbende hij moeten vermoeden dat G. gemelde rijwielen door misdrijf had verkregen;

dat bij bet door het bestreden arrest bevestigde vonnis, met qualificatie en strafoplegging gelijk hierboven is vermeld, deze feiten zijn bewezen verklaard met dien verstande, dat de rijwielen door verduistering waren verkregen en het laatste deel der dagvaarding, aanvangende met de woorden: „immers hebbende hij" enz., voor de omschrijving der in deze te laste gelegde culpose heling als niet ter zake dienende wordt beschouwd;

O. dat noch bij de aanteekening van het beroep, noch naderhand door of vanwege den requirant eenige gronden voor dit beroep zijn aangevoerd;

O. evenwel ambtshalve:

dat de Rechtbank, in stede van de bovenaangeduide zinsnede als niet ter zake dienende te beschouwen, naar het al of niet bewezen zijn van dit deel der telastlegging een onderzoek had behooren in te stellen en dus het Hof door desniettemin het vonnis der Rechtbank te bevestigen de artt. 211, 221, 239 en 247 Strafv. heeft geschonden;

O. immers dat voor de toepasselijkheid van art. 417Ws Strafr. de dagvaarding omstandigheden behoort in te houden, waaruit volgt, dat het aan de schuld van dengene, die een der in dat artikel aangegeven handelingen verricht, te wijten is, dat zijne handeling een door misdrijf verkregen voorwerp betreft;

dat het feit, dat requirant de rijwielen kocht, zonder dat hij er zich van vergewist had, op welke wijze de verkoop er de rijwielen had verkregen, op zich zelf beschouwd, niet als een zoodanige omstandigheid kan aangemerkt worden;

dat immers tal van gevallen denkbaar zijn, waarin, niettegenstaande het verkochte voorwerp door misdrijf verkregen is, de verkooper niet alleen de misdadige herkomst niet vermoedt, maar er ook voor hem geen enkele reden is voor een dergelijk vermoeden, in welke gevallen hem van het nalaten van een onderzoek naar de wijze, waarop de verkooper in het bezit van het verkochte voorwerp is gekomen, geen grief kan gemaakt worden;

dat dan ook de steller der dagvaarding de door de Rechtbank als niet ter zake dienende beschouwde zinsnede daarin heeft opgenomen klaarblijkelijk met de bedoeling daarmede te kennen te geven, waarom in dit geval een nalaten van een dergelijk onderzoek voor den kooper wel schuld medebracht;

dat dus deze zinsnede een omstandigheid inhoudt, welker al of niet bestaan op de strafbaarheid der handeling van invloed is, zoo-