Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de Rechtbank daarnaar een onderzoek bad behooren in te stellen;

Vernietigt het in deze zaak gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van den Hen Maart 1920;

Rechtdoende krachtens art. 106 R. O.:

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden ten einde op het bestaande hooger beroep te worden berecht en afgedaan.

W. 10588.

93 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 3 April 1922.

Art. 417bis W. v. Str.

De dagvaarding vermeldende dat het aan de grove schuld van den beklaagde te wijten was, dat kV niet heeft geweten, dat de door hem gekochte zegels door den in de dagvaarding genoemden persoon door diefstal waren verkregen, welke telastlegging in haar geheel zonder eenig voorbehoud werd bewezen verklaard, bevat eene voldoende omschrijving van het bij art. 4176Ü strafbaar gestelde feit.

De Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Arnhem is requirant van cassatie tegen een door het Hof gewezen arrest van den 12en Jan. 1922, waarbij, in hooger beroep, A. v. d. L., met vernietiging van het vonnis op 23 Nov. 1921, door de Arrond.-Rechtbank te Zutphen, tegen den gerequireerde gewezen, van alle rechtsvervolging is ontslagen.

De adv.-gen. Besier heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heerenl

Bij inleidende dagvaarding is aan den beklaagde te laste gelegd, dat hij op 3 Oct. 1921, te Deventer, van W. F. H., ongeveer 200 rentezegels van 60 cent heeft gekocht, terwijl het aan zijn grove schuld te wijten is geweest, dat hij niet heeft geweten, dat die zegels door gezegde H. door diefstal waren verkregen.

Bij het bestreden arrest is dit feit bewezen verklaard, doch niet strafbaar geoordeeld, in het bijzonder niet krachtens art. 417tó Strafr., omdat daarvoor noodig zou zijn geweest, dat in de dagvaarding omstandigheden waren vermeld, waaruit volgt, dat het aan beklaagdes schuld te wijten was, dat de bewuste koop op door diefstal verkregen zegels betrekking had en de dagvaarding aan dit vereischte niet voldoet, daar hierin niet zijn opgenomen de feiten, welke den beklaagde in deze ruim-