Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoots aanleiding gaven om naar de herkomst der «egels een deugdelijk onderzoek in te stellen, vóórdat hij betreffende het hem door H. gedaan aanbod eene beslissing nam.

In overleg met mij wordt hiertegen bij tijdig ingediende memorie als middel van cassatie aangevoerd:

„Schending door niet-toepassing van art. 417Ws Swb., onjuiste toepassing van artt. 143 en 216 Strafv.".

Mij komt de telastelegging voor voldoende te zijn voor de toepassing van art. 4176& Swb.

Heling vereischt opzet, gericht op het koopen — om hierbij nu maar te blijven — en op de misdadige herkomst van het gekochte. Laatstbedoeld opzet is niets anders dan de wetenschap omtrent die herkomst.

Het misdrijf van art. AUbis loopt hiermede evenwijdig. Het vereischt opzet, gericht op het koopen — dat immers zonder opzet niet denkbaar is —, doch niet op de omstandigheid, dat het koopen een door misdrijf verkregen voorwerp betreft; deze moet de dader dus niet gekend hebben, doch dit gemis van wetenschap moet aan zijn schuld te wijten zijn.

Is het nu voor de telastelegging dezer schuld noodig, de omstandigheden te noemen, waaruit zij volgt"? Uit mijne conclusie, voorafgaande aan het arrest van 14 Febr. 1921 (W. 10713), waarin echter dit punt onbeslist bleef, is het den Hoogen Raad reeds bekend, dat ik dit niet noodig oordeel, en waarom ik meen, dat dit ook niet bedoeld kan zijn bij zijn arrest van 31 Mei 1920 (W. 10588), al is die stelling daarin—vermoedelijk in verband met de toenmalige casuspositie — met zoovele woorden uitgesproken.

Berst ter terechtzitting, wanneer het bewijs geleverd moet worden van de te laste gelegde schuld of van het te laste gelegde opzet, komen de omstandigheden, waaruit een van beide volgt, te pas. Bij de dagvaarding is het voldoende als feit te stellen dat het gebeurde — of in dit geval het gemis aan wetenschap — te wijten is aan opzet of aan schuld in den zin van het Strafwetboek, d. i. aan grove schuld.

Alleen wanneer in de dagvaarding, gelijk in die waarop het arrest van 14 Febr. 1921, zooeven genoemd, betrekking had, de telastelegging van schuld of die van opzet — m.i. ten overvloede — gepaard gaat met een opsomrrung van bijzondere schuldfactoren, wordt zij teruggedrongen tot niet meer dan een samenvattende benaming van die factoren. Staat echter, gelijk hier, die telastelegging op zich zelve, dan is zij ook zelve als de feitelijke telastelegging te beschouwen.

De.hier te laste gelegde „grove schuld" kan niet anders worden verstaan dan als groote onvoorzichtigheid en roekeloosheid. Van deze met „grove schuld" geheel gelijkstaande woorden besliste de Hooge Raad bij arrest van 15 Nov. 1915 (W. 9877), gewezen op het beroep in cassatie tegen het arrest van 30 Juni 1915 van het Hof te Arnhem, door den Procureur-Generaal in zijne memorie aangehaald, dat zij niet slechts een