Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 11 November 1889.

Art. 420 W. v. Str.

In de klacht behoeft niet een bepaald persoon te zijn aangeduid.

De proc.-gen. bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage is requirant van cassatie tegen een arrest van dat Gerechtshof van den 6 Juni 1889, waarbij is bevestigd een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam van den 21 Maart bevorens, bij hetwelk de officier van justitie te Rotterdam is verklaard met-ontvankelijk in zijne vordering tegen G. W. v. B., van beroep drukker en uitgever van het dagblad De Maasbode.

De adv.-gen. Patijn heeft de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heerenl De proc-gen. bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage is req. van cassatie tegen een door gemeld Hof gewezen arrest van den 6 Juni j.1., waarbij werd bevestigd een op den 21 Maart bevorens door de Arrond.Rechtbank te Rotterdam gewezen vonnis, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard in eene door hem ingestelde vervolging tegen den drukker en uitgever van het dagblad De Maasbode, en dat wel op grond dat de klachte, die tot de vervolging aanleiding had gegeven, was gericht tegen de redactie van dat dagblad, en derhalve nog niet geacht kon worden tegen den drukker of uitgever daarvan gedaan te Zijn of het verzoek tot diens vervolging in te houden.

Bij tijdig ingediende memorie voert de req. hiertegen aan een middel van cassatie, luidende: verkeerde toepassing van art. 420 Strafrecht.

De vragen, waartoe dit proces m.i. aanleiding geeft, Zijn deze: kan de uitgever of drukker van een dagblad ter zake van de verspreiding van een daarin geplaatst beleedigend artikel alleen vervolgd worden wanneer de klacht het verzoek tot zijne vervolging inhoudt, dan wel is het voldoende, wanneer de beleedigde een vervolging ter zake van beleediging heeft ingediend - en is de officier van justitie met-ontvankelijk in zijne vervolging van drukker of uitgever wanneer de klacht tegen de redactie is gericht?

Rechtbank en Hof beantwoorden die vragen ontkennend. De Rechtbank namehjk overweegt: „dat, gelijk eene klachte, gedaan tegen den schrijver van een smaadschrift of diens vervolging, al is nij onbekend, zonder meer verzoekende, niet geacht kan worden tevens tegen den drukker of uitgever gedaan te zijn of het verlangen m te houden, dat deze zal worden vervolgd, eveneens eene klacht gedaan tegen „de