Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te Helmond met de klachte en met het uitdrukkelijk verzoek, dat ter dier zake eene strafrechtelijke vervolging zou worden ingesteld, en of hij er nu al bijvoegde „tegen de redactie" — eene bijvoeging naar alle waarschijnlijkheid alleen het gevolg van de meening van klager, dat deze voor dat artikel aansprakelijk was, doet m. i. in casu niet af, nu duidelijk blijkt dat het klagers bedoeling was, dat ter zake van dat artikel eene vervolging werd ingesteld en daarentegen uit niets blijkt, dat bl) de vervolging eenig en alleen tegen de redactie verlangde. Ik herinner hier aan de zoo even door mij geciteerde Duitsche arresten.

In casu leidde de indiening der klachte tot vervolging van den uitgever der Maasbode, en nu meenen Rechtbank en Hof dat aangezien de klachte niet tegen hem was gericht, „geen recht van strafvordering aanwezig is .

Op grond van het hiervoren in het algemeen aangevoerde, ben ik van oordeel,dat die opvatting onjuist is en ook art. 420 Strafvord. wettigt ze met.

't Is waar dat dat artikel spreekt van de vervolging van „uitgever of „drukker", maar 1°. blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming der artt. 418, 419 en 420 in geenen deele, dat men daarbij heeft willen afwijken van hetgeen het wetboek in het algemeen als vereischten voor klachtdelicten stelde. Ze kwam alleen in het wetboek om te voorzien in eene leemte, die naar het gevoelen van de Commissie van Rapporteurs, ik zou mij in dit geval op mijn eigen toen in de Kamer gesproken woorden kunnen beroepen, na de aanneming van de artt. 53 en 54 was blijven bestaan; 2°. is het duidelijk dat art. 420 alleen spreekt van eene klacht tegen uitgever en drukker, omdat het geene andere strekking, heeft dan om aan te toonen dat voor eene vervolging ex art. 418, waar van den uitgever en van art. 419, waar van den drukker wordt gesproken, eene klachte voor de vervolging wordt vereischt; en 3°. eischt dat artikel alleen een klacht en niet een klacht tegen een bepaald persoon, zooals in art. 316 Strafrecht.

De vraag of de bekl. voor het feit kan worden veroordeeld, dat hem was ten laste gelegd, of hij de strafrechtelijke aansprakelijke persoon is, staat natuurlijk ter beoordeeling van den rechter, maar de ontvankelijkheid van den officier van jusitie tot het instellen van deze strafvervolging vloeit m.i. voort uit de klachte die bij een bevoegden ambtenaar was ingediend. . i_ i

De niet-ontvankelijkheid van den officier van justitie is derhalve m.i. ten onrechte uitgesproken, en ik heb mitsdien de eer te concludeeren dat de H. R. het in deze door het Gerechtshof te 's-Gravenhage gewezen arrest en het vennis der Rechtbank te Rotterdam zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar gemelde Rechtbank, ten einde, met machtneming van 's Hoogen Raads uitspraak, op de bestaande dagvaarding te worden afgedaan, met reserve der uitspraak omtrent de kosten tot aan het eindvonnis.