Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, luidende:

Verkeerde toepassing van art. 420 Strafrecht, door den officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijne vordering;

Overwegende, dat blijkens den door het beklaagde arrest overgenomen inhoud van het vonnis des eersten rechters, ten deze vaststaat dat de gereq. in rechten is betrokken als uitgever van het dagblad De Maasbode te Rotterdam, ter zake van een gedeelte van den inhoud van het no. 3685 van Vrijdag 14 Dec. 1888 van dat blad, zulks naar aanleiding van eene door A. J. B. E. te Helmond bij den brigadier der maréchaussée H. L. aldaar gedane, door dezen ambtenaar bij proces-verbaal van den 20 Dec. 1888 in schrift gebrachte klacht tegen de redactie van dit blad;

dat bij de aan den gereq. als uitgever van dat blad beteekende dagvaarding oa. is gesteld dat door het bedoelde in die dagvaarding opgenomen bericht van zijn blad, met het kennelijk' doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, opzettelijk de eer en goede naam wordt aangerand van den in dat bericht kennelijk bedoelden klager, en van welk bericht de schrijver niet bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekend gemaakt;

dat de gereq. beweerd heeft geen redacteur van gemeld blad te zijn, en die bewering waarschijrüijk gemaakt heeft door den naam van den redacteur, zekeren T., aan den met de instructie der zaak belasten rechter-commissaris te noemen;

dat de rechter, ofschoon beslissende dat het in de dagvaarding en het vonnis omschreven geschrift van dien aard is, dat de schrijver daarvan zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van smaadschrift, een misdrijf niet vervolgbaar dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is, den officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard heeft in zijne vordering tegen dezen gereq., overwegende dat de zin van art. 420 Strafrecht, waarvan de toepassing door het Openb. Min. wordt gevorderd, is dat voor vervolging van den drukker of uitgever wegens de misdrijven in de artt. 418 en 419 van dat wetboek omschreven, eene klachte moet aanwezig Zijn, inhoudende dat uitgever of drukker vervolgd zal worden, althans eene waaruit af te leiden valt dat diens vervolging verlangd wordt; terwijl feitelijk beslist wordt dat tegen dezen gereq. geen klacht aanwezig is èn overigens het verlangen van klager, dat deze bekl. zou worden vervolgd uit de ingediende klachte niet blijkt of af te leiden valt;

O.-dat het tegen deze beslissing voorgestelde middel van cassatie in hoofdzaak berust op de bewering, dat art. 420 Strafrecht voor de vervolging van den drukker of uitgever ter zake van smaadschrift alleen eischt een klacht van dengeen tegen wien het misdrijf gepleegd is, geenszins eene klacht bepaaldelijk gericht tegen den terechtgestelde, en dat in den regel, die ook bij vervolgingen op klachte krachtens de artt. 418 en 419