Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daan, indien, gelijk ten deze vaststaat, de klager verzoek heeft gedaan om ter zake van het geschrift, aanleiding gevende tot zijn beklag, eene strafvervolging in te stellen;

dat dus het voorgestelde middel is gegrond;

Gezien art. 370 Strafvord.;

Vernietigt het arrest den 6 Juni 1889 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage in deze zaak gewezen;

En krachtens art. 105 R. O. recht doende op het van het vonnis der Arrond.-Rechtbank te Rotterdam van den 21 Maart bevorens ingesteld hooger beroep;

Vernietigt mede dit vonnis;

Verklaart den officier van justitie te Rotterdam ontvankelijk in zijne vordering tegen den gereq.;

Verwijst de zaak naar voormelde Rechtbank ten einde met. inachtneming van 's Hoogen Raads arrest haar op de bestaande dagvaarding verder te behandelen;

Bepaalt dat de uitspraak omtrent de kosten wordt voorbehouden tot de eindbeslissing.

W. 5799.

95 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 21 November 1904.

Art. 422 W. v. Str.

Ofschoon art. 304 hier niet is genoemd, is art. 422 ook toepasselijk wanneer het latere misdrijf onder dit artikel valt. De verhooging kan echter alleen op het strafmaximum van art. 300, niet op dat van art. 304 worden toegepast.

De Hooge Raad, enz.;

Op het beroep van M. F. P., requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 Juni 1904, waarbij is bevestigd een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te 's-Gravenhage van 11 April 1904, bij welk vonnis op het daartegen door requirant gedaan verzet, is bekrachtigd een vonnis door dezelfde Rechtbank den 29 Febr. 1904 tegen den requirant bij verstek gewezen, waarbij hij werd schuldig verklaard aan het hem ten laste gelegde feit, dit feit werd gequalificeerd: „mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening zijner bediening, terwijl tijdens het plegen