Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkenen van genees-, heel- of verloskundigen raad of bijstand als bedrijf verstaat, alleen is geoorloofd verklaard aan degenen, aan wie de bevoegdheid daartoe volgens de wet is toegekend;

dat voorts bij de wet van 24 Juni 1876 (Stbl. no. 117) de afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst is toegekend aan de tandmeesters, welke bevoegdheid bij art. 8 der wet van 25 Dec. 1878 (Stbl. 222), regelende de voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van arts, tandmeester, apotheker, enz., is gehandhaafd;

dat de genoemde wet van 1876 is gewijzigd bij de wet van 28 April 1913 (Stbl. no. 167), waarbij, met wijziging van de benaming van „tandmeester" in die van „tandarts", deze laatste is bevoegd verklaard, onder meer, tot de toepassing van de tandprothese, waardoor buiten twijfel is gesteld, dat tot de toepassing van de tandprothese, behalve de artsen, alleen bevoegd zijn de tandartsen, en dat de toepassing daarvan door ieder ander, als beroep en buiten noodzaak, strafbaar is gesteld bij art. 436 Strafr.;

dat de wet wel niet nader omschrijft, wat zij onder de toepassing der tandprothese verstaat, maar reeds het gebruik van het aan de medische wetenschap ontleende woord „tandprothese" er op wijst, dat daarmede bedoeld is een onderdeel der geneeskunst, waarbij dan de samenstelling en de afleiding van het woord duidelijk maken, dat het bedoelde onderdeel bestaat in het verkenen van tandheelkundigen raad of bijstand ten einde zieke of niet meer aanwezige tanden en kiezen te vervangen door kunsttanden of kunstgebitten, zoo noodig na het daarvoor geschikt maken van den mond der patiënten;

dat eene zoodanige geneeskundige behandeling van de patiënten R. en B. door den requirant, als beroep en buiten noodzaak, door de Rechtbank is bewezen verklaard, zoodat, nu zij mede als bewezen heeft aangenomen, dat de requirant niet was toegelaten tot de uitoefening der geneeskunst noch tot de uitoefening der tandheelkunst, art. 364 Strafr. terecht op den requirant is toegepast;

dat bijgevolg ook dit middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

W. 10528.

ART. 443 W. v. STR. Zie H. R. 19 Juni 1893, No. 11.