Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1°. ten laste van H. is bewezen verklaard), opzettelijk middelen heeft verschaft, tot het plegen van bovenomschreven poging tot misdrijf door meerdere malen een bus, inhoudende een licht brandbare vloeistof, bestemd voor opzettelijke brandstichting, in die woning te brengen.

Het Hof gaf aan deze feiten onderscheidenlijk de benaming „poging tot brandstichting, waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is" en „medeplichtigheid aan poging tot brandstichting, waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is" en veroordeelde de verdachten tot gevangenisstraffen onderscheidenlijk van 4 jaren en van 6 maanden.

Beide verdachten hebben bij schriftuur middelen tot cassatie doen voordragen en uitvoerig toelichten.

De voor H. aangevoerde middelen luiden:

III. Schending, althans verkeerde toepassing van de artt.350,352,358, 359, 422, 423, 415 Sv. j°. artt. 45 en 157 Sr., zulks doordat het Hof 1°. het ten laste van requirant bewezen verklaarde heeft gequalificeerd als poging tot brandstichting, terwijl de bewezen verklaarde handelingen slechts opleveren handelingen, noodig voor de voorbereiding van het misdrijf, doch geenszins handelingen gericht op de uitvoering daarvan;

De voor G. aangevoerde middelen zijn vier in getal.

„III. Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 350, 352, 358,359,422,423,415 Sv., i. v. m. de artt. 45,48,49 en 157 Sr., doordien het Hof ten onrechte in het gegeven geval medeplichtigheid aan strafbare poging tot brandstichting, waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, heeft aangenomen, hoewel geen der door den dader H. verrichte handelingen als uitvoeringshandelingen konden worden beschouwd en dus geen strafbare poging aanwezig was.

Het derde middel van H. onder 1°. en het derde middel van G. berusten op denzelfden grondslag en kunnen dus te zamen besproken worden. Zij zijn gericht tegen 's Hofs overweging, dat de ten laste van H. bewezen verklaarde handelingen van dezen noodzakelijk waren voor de uitvoering van de door hem voorgenomen brandstichting, op niets anders gericht konden zijn en in rechtstreeksch verband stonden tot het door hem beoogde misdrijf en dat hij door die handelingen te plegen daaraan reeds een begin van uitvoering gaf.

Deze middelen betreffen de zeer betwiste vraag, of — zooals van Hamel-v. Dijck het op blz. 363 formuleert — als begin van uitvoering, dat voor de strafbaarheid van poging tot misdrijf vereischt is, voldoende is iedere daad, welke in het licht van het voornemen bezien, de vastheid daarvan teekent (de subjectieve leer), of dat hiervoor noodig is een daad, die een feitelijk bestanddeel is of althans begint uit te maken van het voorgenomen delikt of den deliktsvorm in abstracte, naar de wettelijke omschrijving (de objectieve leer).

Niet alleen in de litteratuur is de vraag betwist, doch ook in de rechtspraak van den Hoogen Raad. Deze heeft de subjectieve leer gehuldigd