Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in dc voormelde woning van R. voornoemd hebben in beslag genomen het voormelde gascomfoor, gaspistool en touw zooals een en ander aan elkander was bevestigd toen hij die voorwerpen aldaar in den avond van 4 Juni 1933 aantrof en evenzoo de voorwerpen, welke zich als voormeld daarbij bevonden, te weten, een theemuts, mansbroek, damesbroek, een paar dameskousen, manstrui, lappen en een hoeveelheid closetpapier, de als voormeld door hem in den winkel aangetroffen blikken bus, zoomede de vierkante bus voormeld en een gedeelte van de als voormeld in de woning aangetroffen vilten band en nog een door hen in de huiskamer gevonden zwarte waschdoeken boodschappentasch, zoomede voormelde waschketel; dat hij te zamen met meergemelden tweeden politieman de getuigen R. en C. van L. in meergemelde woning heeft gebracht en dezen beide voormelde bussen en vilten band heeft getoond evenals voormelde boodschappentasch;

O. dat het Hof na de bewezenverklaring heeft overwogen:

„dat weliswaar zoowel verdachte H. als verdachte G. ter 's Hofs terechtzitting hebben aangevoerd, dat het bewijs niet geleverd zou zijn en dat niets bewezen was omdat de getuigen R. en van L. elk woord, dat zij als getuigen verklaarden logen, doch het Hof de verklaringen dier beide getuigen volkomen betrouwbaar acht vermits die door de verklaringen der andere getuigen worden bevestigd en bovendien de getuige F. van den Broek nog ter 's Hofs terechtzitting als zoodanig heeft verklaard dat de getuige R., wiens verklaring hij op die zitting heeft gehoord, in alle opzichten ten aanzien van hetgeen door dien getuige werd verklaard omtrent hetgeen zou zijn geschied tot op het oogenblik, dat die getuige volgens zijn verldaring in den morgen van 4 Juni 1933 zijn woning aan de Ampèrestraat te Eindhoven verliet, aan hem geheel conform heeft verklaard in de dagen, dat hij, na in den nacht van 4 op 5 Juni 1933 in hechtenis te zijn genomen, zich nog in arrest bevond:

„dat voorts de raadslieden van elk der verdachten hebben aangevoerd, dat in ieder geval niet zoude vaststaan, dat verdachte H., zoo hij al een poging tot brandstichting aangevangen had dan toch niet vrijwillig daarvan was teruggetreden;

„dat het Hof echter deze meening niet deelt;

„dat immers uit de verklaring der gehoorde getuigen in de eerste plaats blijkt, dat verdachte H. langen tijd met de onderhavige brandstichtingsplannen is bezig geweest en in verband daarmede uitgebreide maatregelen heeft getroffen en zijn wil zeer positief daarop gericht had;

„dat hij voorts blijkens de verklaringen der getuigen R. en van L. niet wilde, dat dezen reeds omstreeks elf uur te Eindhoven terug zouden komen omdat de brandstichting dan nog niet geschied zou zijn, doch dat die wel reeds zou hebben plaats gehad indien zij met den nachttrein, die ongeveer 12 uur 40 minuten in den nacht van 4 op 5 Juni 1933 in Eindhoven zou aankomen, (zouden terugkomen,) terwijl voorts volgens ver-