Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht buiten de door hem gedragen schoenen, opdat hij bij zijne verrichtingen in dat huis op 4 Juni 1933 niet zou worden gehoord;

„dat derhalve kan worden aangenomen, dat hij, toen hij het pak, waarin zich die schoenen bevonden, wegbracht, hij zijn werk binnenshuis als afgeloopen beschouwde en alleen zou zijn teruggekomen om aan het touwtje, dat over meergemeld muurtje hing, te trekken ten einde den brand te ontsteken hetgeen hij uit den aard der zaak niet wilde doen terwijl hij belast was met twee pakken goederen, welke hem moesten belemmeren bij een snelle verwijdering van de plaats des misdrijfs;

„dat ten slotte de verdediger zoowel van verdachte H. als die van verdachte G. heeft aangevoerd, dat, zoude de verdachte H. inderdaad de hem bij inleidende dagvaarding te laste gelegde feiten hebben gepleegd, hij toch niet geacht zou kunnen worden een poging tot het misdrijf van brandstichting te hebben gedaan doch slechts voorbereidende handelingen ZOU hebben gepleegd, geen poging opleverend;

„dat echter het Hof ook deze stelling niet kan aanvaarden;

„dat immers de hierboven ten laste van verdachte H. bewezen verklaarde handelingen van dezen noodzakelijk waren voor de uitvoering van de door hem voorgenomen brandstichting, op niets anders gericht konden zijn en in rechtstreeksch «rband stonden tot het door hem beoogde misdrijf en dat hij door die handelingen te plegen daaraan reeds een begin van uitvoering gaf";

Ten aanzien van de voorgestelde cassatiemiddelen:

O., dat het derde middel namens requirant H. voorgesteld, voor zoover dit de grief bevat, dat de bewezen verklaarde handelingen slechts voorbereidingshandelingen en geen uitvoeringshandelingen zijn — welke grief ook in het derde cassatiemiddel, namens requirant G. voorgesteld, is vervat — gegrond is;

O. immers, dat, volgens art. 45 Sr. voor de strafbaarheid van poging tot misdrijf is vereischt, dat het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering, te weten een begin van uitvoering van het misdrijf, heeft geopenbaard, hetgeen dus bij het misdrijf bestaande in opzettelijke brandstichting wil zeggen, dat met de brandstichting een begin is gemaakt, dat een daad is verricht, welke niet alleen, zooals het Hof overweegt, noodzakelijk is voor de uitvoering van de voorgenomen brandstichting, op niets anders gericht kon zijn en in rechtstreeksch verband staat tot het beoogde misdrijf — welke hoedanigheden immers ook aan menige voorbereidingshandeling eigen kunnen zijn—maar welke, naar de regelen der ervaring inderdaad — tenzij zich eenige onvoorziene gebeurtenis voordoet — zonder eenig nader ingrijpen van den dader zelf tot brandstichting leidt; dat, voor zoover het Hof met het „rechtstreeksch verband" mocht bedoelen een onmiddellijk, dadelijk tot het gevolg leidend verband, dit oordeel feitelijk onjuist zoude zijn, daar de naar haren aard beslissende daad hier juist ontbrak en daarmede ook nog geen aanvang was gemaakt;