Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we fabriek van 3 verdiepingen betaald. De maatschappij begint enkele onderdeelen zelf te maken. In het jaar van 1905 op 1906 worden een 4-cylinderauto van 2000 dollar en een toerautomobiel van 1000 dollar gemaakt. Over dit jaar daalt echter de afzet wederom. Ford wordt onrustig. Het gaat zoo niet langer. De aandeelhouders zeggen, dat het komt, omdat er niet genoeg nieuwe modellen gemaakt worden. Ford is van andere opvatting. Men houdt zich zijns inziens juist te weinig bij één bepaald model. Een automobiel is geen vrouwen japon en geen hoed. Hij behoeft er niet elk jaar anders uit te zien. Dat is geen dienst. Dat is geldverdienerij, men speculeert er dan op, dat de koopers elk jaar een nieuwe automobiel zullen nemen. Dat is verloochening van een geloof. Eén model! Eén model, en anders niet! Maak er daarvan honderden, duizenden, tienduizenden, millioenen! Eenzijdigheid is kracht, niemand heeft ooit gehoord, dat de veelzijdigen iets ten einde voerden. Zijn de andere aandeelhouders het daarmede niet eens? Ford koopt in 1906 zooveel aandeelen op, dat hij 51 procent van het kapitaal bezit. Dit percentage stijgt weldra tot 58. Nu is hij de baas.

Zoekend en tastend gaat Ford verder zijn weg. Hij moet het ééne model vinden, het model, dat goedkoop, sterk, duurzaam en licht genoeg is om de productie op zeer groote

Sluiten