Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet aldus voor wat den Rijn en de SchfeldeRijnverbinding betrof. Zoolang Nederland en België één waren, hadden deze wateren tot den gemeenschappelijken boedel behoord. Dank zij de scheiding, die door België zelf gewild werd, kwamen zij aan Nederland toe te vallen, evengoed als de Zuiderzea of de Friesche meren. Nederland behield de volledige beschikking over, en alle voor- en nadeeJen van, zijn aloude grondgebied. Over den Rijn, een internationale rivier, die in zijn bovenloop aan andere staten behoorde, molest Nederland met die andere staten een regeling treffen (de Rijnvaartakte van 1831). Men kan zeggen, dat de Rijn in zekeren zin het gemeenschappelijk bezit was (en is) van de Rijnoeverstaten. Maar ook van deze alleen: geen enkele andere staat kan op de rivier eenig recht, welk dan ook, doen gelden, en de Rijnoeverstaten dragen de lasten, maar beschikken ook vrijelijk over de voordeelen, aan den Rijn verbonden. België had en heeft, volkenrechtelijk gesproken, aan dien Rijn part noch deel. Wat de wateren tusschen Rijn en Schelde betreft: deze werden door de scheiding weer zuiver Nederlandsen bezit, en geen enkele andere staat kon daarop ook maar de minste rechten geldend maken.

Zoo moest de toestand in 1830 worden gewaardeerd, en zoo moet hij ook thans worden gewaardeerd. Wanneer België voordeel trekt van den Rijn, dus vruchten geniet van anderer bezit, dan kan men zulks niet beter qualificeeren

Sluiten