Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hen stonden, die hen verhinderen, vrij met elkaar te verkeeren en te begrijpen, dat de leden van andere volksstammen precies zulke menschen zijn als die van het eigen volk; dat hun letterkunde volstrekt geen verschrikkelijke misdaden predikt, maar dezelfde zedeleer en dezelfde idealen heeft als de onze? Sloop, sloop de muren tusschen de volken! "

Zoo sprak Zamenhof in 1906 op het Congres in Genève. Bijna precies zoo dacht hij reeds als goedhartig knaapje in Bialystok. Het smartte hem, dat de bewoners van hetzelfde land als vreemden tegenover elkander stonden. Het smartte hem, dat er haat is in de heele wereld. In zijn peinzend hoofdje vormden zich reeds toen het plan en de wil, om „later, als hij groot was", dat kwaad stellig en zeker te doen verdwijnen.

Verschillende utopistische droomen verwierp hij de een na den ander, doch één hoofdgedachte bleef hem steeds het overdenken waard: dat was het denkbeeld van een gemeenschappelijke taal. „Als de menschen elkaar maar konden leeren begrijpen!" zuchtte hij, en berekende kinderlijk, welke taal men voor de heele wereld zou kunnen kiezen. Polen zouden een hekel aan Russisch hebben, Russen zouden geen Duitsch willen, Duitschers zouden geen Fransch kunnen uitstaan, Franschen zouden Engelsch weigeren. Wat te doen? Alleen een onzijdige taal zou allen kunnen bevredigen, zonder iemand te kwetsen of naijver te verwekken. Als alle menschen, naast en behalve hun eigen taal, die internationale taal leerden, zouden zij elkaar persoonlijk kunnen leeren kennen, van volk tot volk. Zij zouden rechtstreeksche betrekkingen kunnen onderhouden. Het blinde

Sluiten