Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV

STUDENTENJAREN

Na een langen kus van de moeder reisde de student naar Moskou. Een groote stad. Een volle universiteit. De torens van het Kremlin schitterden. Blanke sneeuw in de straten. Sleden glijden langs de wegen, belletjes tinkelen. Langharige paarden snellen voort. Overal vroolijk, wakker leven.

De jonge man woonde armelijk. Door lessen verdiende hij een kleinigheid. Maar een Joodsch jongeling heeft weinig kansen, zelfs voor onderricht geven. Hij schreef ook een en ander voor een courant, voor de Moskovskie Viedomosti. Thuis leefden de ouders in zorg. ,,Ik geef maar negentien roebels per maand uit", schreef hij om hen gerust te stellen. Maar hoe voedde hij zich!

Nauwgezet studeerde hij in de medicijnen. In de snijkamer boog ook hij op zijn beurt zich over lijken. Met medegevoel legde hij het inwendig samenstel van den menschelijken vorm bloot. Ook daar volgde hem zijn droombeeld. Zijn niet alle menschen gelijk, met gelijke organen, gelijke nooden, gelijke angsten en verlangens tijdens het leven? Verandert taal of kleur daar iets aan? De vreemdheid tusschen de menschen moest ophouden.

Toch hield hij zijn belofte. „Wacht nog 'n paar jaar met over de menschheid te denken!" vermaande de vader. Maar een groote leegte kwelde zijn hart. Hoe te leven zonder ideaal doel? Zijn medelijdend gemoed zocht iets om zich aan te wijden. Hij wendde zich toen tot het lijden der

Sluiten