Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XII

DE STERVENDE MENSCH

De menschheid schiept Gij volmaakt en schoon, Zij echter ging strijdend uiteen; Volk viel volk met wreedheid aan, Broeder was jakhals den broeder.

Deze verzen weerklonken in Zamenhofs herinnering gedurende de achtdaagsche *) terugreis naar Warschau, zonder bagage, zonder zitplaats, zonder voedsel, zonder tijdsbesef, in overvolle wagons, over Skandinavië en Petersburg. Zijn vrouw was bij hem, altijd wakker, onvermoeid, kalm.

Slechte gezondheid en droefenis drukten hem. Hij bleef nu thuis. Hij kon noch loopen, noch gemakkelijk ademen. In het rond bracht de strijd verschrikking. Kanonnen donderden steeds dichterbij. Luchtschepen wierpen bommen op de stad. Er viel zelfs een in de Dzikastraat. Doch niet dat beangstigde hem. Met de gedachte aan den dood was hij reeds vertrouwd. Wat beteekent gevaar? Snerpender was de haat en waren de chauvinistische hartstochten, als huilende tijgers uit hun kooi nu overal losgelaten. Over de ge-

l) Zelfs een veertiendaagsche reis, volgens een brief van Zamenhof, als no. 370 door Br. Bietterle in zijn reeds genoemd werk Originala Verkaro op bl. 578 opgenomen, eenige jaren na het verschijnen van het hier vertaalde werk. — Vert.

Sluiten