Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in welk jaar van mijn leven ik mijn godsdienstig geloof verloor, maar ik herinner mij, dat op den leeftijd van 15—16 jaar mijn ongeloof zijn toppunt bereikte. Dat was ook de kwellendste tijd van mijn leven. In mijn oogen verloor het leven allen zin en alle waarde. Met verachting beschouwde ik mijzelf en de andere menschen; in mijzelf en in hen zag ik slechts een onzinnigen klomp vleesch, die geschapen werd men weet niet waardóór en men weet niet waarvóór; die minder dan het kleinste deeltje van een seconde der eeuwigheid doorleeft, dan spoedig voor altijd wegrot, en, door alle komende eindelooze millioenen en milliarden van jaren héén, nimmermeer opnieuw verschijnt. Voor wat leef ik, voor wat leer ik, voor wat werk ik, waarom heb ik lief? Want het is immers zóó onzinnig, zóó waardeloos, zóó lachwekkend "

Hier houdt de bekentenis op. Alleen staat op het blanke einde der bladzijde nog een aanteekening voor het ontworpen vervolg. Na den walg over leven en dood begon de zeventienjarige iets nieuws te gevoelen:

„Ik ging gevoelen, dat misschien de dood geen verdwijnen beteekent dat er eenigerlei wetten in de natuur

bestaan ; dat iets mij voor een verheven doel bewaart "

Dat zijn de laatste woorden van het geschrevene. Zijn geheim nam Zamenhof mede in den dood. Wij weten slechts, dat hij reeds jong een eigen geloof vond; dat hij een onwankelbaar vertrouwen kreeg in een gemeenschappelijke kracht tot liefhebben en tot bezielen van de consciënties;

Sluiten