Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORWOORD.

Bij het verschijnen van mijn proefschrift volg ik gaarne de goede traditie, een woord van oprechten dank te richten tot hen, die hebben bijgedragen tot mijn wetenschappelijke vorming. Nu mijn ambt mij opnieuw naar Leiden heeft gevoerd, zoodat ik, zij het dan op andere wijze dan in mijn studentenjaren, het theologisch leven weer van wat dichterbij kan medeleven, gevoel ik des te sterker, van welke beteekenis de vijf jaren studie onder de auspiciën der Leidsche Academie in het algemeen en die harer Theologische Faculteit in het bijzonder voor mijn wetenschappelijke en religieuze bewustwording zijn geweest.

Namen noemende, gedenk ik de overledenen allereerst. In het middelpunt van de beste mijner Leidsche herinneringen blijft wijlen Prof. Roessingh staan. De stuwende en bezielende invloed, die van menschen uit kan gaan, ook al hebben leven of dood hen van ons gescheiden: zelden heb ik dien zoo ervaren als ten opzichte van dezen man. Een voorrecht acht ik het dan ook te behooren tot den kring zijner leerlingen, die, vereenigd in het „Roessingh-werkverband", den rijkdom der gedachten, die hij ons liet, vruchtbaar trachten te maken in het heden.

Dit proefschrift mocht ik nog met hem bespreken, daarbij partij trekkend van zijn raad en hulp. In groote dankbaarheid blijf ik Prof. Roessingh gedenken. Zijn opvolger, wijlen Prof. de Graaf, heb ik in den katheder niét meer aangetroffen. Wel heb ik ook met hem over mijn dissertatie meerdere malen overleg mogen plegen, en zou hem als mijn promotor tegenover mij hebben gehad, indien niet de dood — te vroeg ook hier naar menschelijk inzicht — had geroepen. In piëteit noem ik den naam van dezen diepen, fijnen denker en nobelen, ruimhartigen mensch.

Dank ben ik ook twee anderen onder mijn reeds gestorven leermeesters verschuldigd, wijlen Prof. Pijper en Prof. Bollandwel geheel verschalende figuren, maar beiden eerlijk en toegewijd in onderwijs en levenl

Met erkentelijkheid richt ik mij tot U, hooggeleerde Eerdmans, Kristensen, Windisch en Eekhof: het is mij een voorrecht geweest U onder mijn wetenschappelijke leiders te hebben mogen rekenen.

Hoewel ik de kerk, in wier dienst Gij arbeidt, hooggeleerde Knappert en Van Nes, verwisseld heb met ander kerkgenootschap, denk ik toch gaarne aan Uw onderwijs terug: voor de opleiding tot de practijk van het predikantsambt dank ik U veel.

Het is met bijzonder genoegen, dat ik terugdenk aan de lessen in Hebreeuwsch en Arameesch, die ik van U, hooggeleerde Wensinck mocht ontvangen.

Met erkentelijkheid noem ik het psychologie-college, dat Gij, hooggeleerde C a s i m i r, in het laatste jaar mijner studie gaaft.

Sluiten