Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hooggeleerde H e e r i n g: ik behoef U niet te zeggen, welke bijzondere vreugde het mij is, dat Gij, na den dood van Prof. de Graaf, mijn promotor hebt willen zijn. Niet alleen, omdat Gij mij indertijd tot het onderwerp van mijn dissertatie hebt gestimuleerd, maar ook, en vooral, omdat Gij het zijt, aan wien ik veel te danken heb voor hart en hoofd. Dat Gij de hoogleeraar zijt, verbonden aan het Seminarium dier Broederschap, die ook ik dienen mag, dat de practijk van het Vrijzinniggodsdienstig en «kerkelijk leven mij meerdere malen met U in contact brengt: dat geeft aan het feit, dat ik thans onder U promoveer, althans Voor mijn besef een eigen beteekenis. Voor Uw bereidwilligheid mij met Uw goeden raad bij de voltooiing van dit geschrift bij te staan, zeg ik U hartelijk dank. —

Tenslotte, den kring nog nauwer trekkend, zij het mij nog vergund in liefde mijn vader te gedenken, die zich over de verschijning van dit proefschrift zeer zou hebben verheugd, en in groote dankbaarheid van den steun te gewagen, dien mijn vrouw mij in de tijden van de, vaak moeizame, voorbereiding van dit boekje gaf.—

Leiden» Sept. 1931.

Sluiten