Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschud door onloochenbare realiteiten in wereld en menschenleven, de zonde en de schuld weer gaan begrijpen als „machtige werkelijkheden in de menschenwereld" 1). Het vrijzinnige Christendom onzer dagen belijdt weer de zonde als een macht in leven en wereld, als een duistere, irrationeele maar zeer positieve macht, al weet het ook van een Goddelijke Macht, die sterker is en die het laatste woord hier op aarde heeft. De vrijzinnige prediking gaat aan de parabel van Lukas 15 niet voorbij maar erkent in diepen ernst, dat daarin waarheden en werkelijkheden worden uitgesproken, die blijvend zijn en die niet dan tot hare schade aan menschenziel en menschenwereld kunnen worden onthouden. — Maar als zonde en schuld niet kunnen worden gemist in de vrijzinnigChristelijke prediking onzer dagen, dan zal toch ook de vrijzinnigChristelijke bezinning, de geloofsbezinning, zich over deze woorden moeten buigen en de vraag stellen naar hun inhoud, plaats en strekking in het geheel eener vrijzinnige „dogmatiek". Indertijd heeft Prof. Heering, de noodzaak hiervan gevoelend, deze questies aan de orde gesteld a).

Dit proefschrift moge gezien worden als een bescheiden poging bij zijn studie aan te knoopen, waarbij het nauwelijks noodig zal zijn uit te spreken, dat de schr. er van overtuigd is, bij lange na niet op afdoende wijze de groote en zware vragen te hebben beantwoord, die op dit terrein van de geloofsleer kunnen rijzen, te meer, waar — gelijk gezegd — het zondeprobleem naar zoovele zijden wijst. „Zonde" leent zich nu eenmaal moeilijk voor wetenschappelijke hanteering, aangezien het woord immers wijst op wat dwars ingaat tegen alle wetenschappelijke ordening, het irrationeele, ja, het zin-looze bij uitnemendheid is. Toch ontslaat ons dat niet van de taak over dit geheimzinnige gebied uit ons geloofsleven na te denken, zooveel wij kunnen. —

Het spreekt van zelf, dat het accent van dit boekje ligt op de twee laatste hoofdstukken, waar (Hoofdst. II) de psychologische vraag naar het wezen van het zondebesef wordt gesteld en (Hoofdst. III) vanuit dit zondebesef de inhoud, plaats en strekking van de zondeleer gepoogd wordt te geven, dit laatste dan met het oog op de „Rechts-moderne dogmatiek". Aan dit psychologisch en dogmatisch gedeelte gaat een historisch (dogmenhistorisch) hoofdstuk vooraf, waarin niet anders dan een illustratie wordt gegeven van de waarheid, dat zonde en schuld (genade en vergeving) tot de meest cardinale begrippen uit de Christelijke theologie behoor en. In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk worden Protestantsche en Roomsch-Katholieke zondeleer tegenover elkaar geplaatst, een kort overzicht der laatste gegeven vanaf de dagen van Ambrosius tot aan het Tridentinum, om dan te laten zien, hoe in de religieuze belevingen der Reformatoren de zonde een bij uitstek centrale rol heeft gespeeld, wat weer zijn uitdrukking heeft gevonden in de oude belijdenisgeschriften. Het tweede deel van hetzelfde hoofdstuk bemoeit zich uitsluitend — op een enkelen buitenlandschen

x\ Dr. K. H. Roessingh, Verz. W., III, Mz. 58.

*) Dr. G. J. Heering, de Plaats van Zonde in de Vrijz. Chr. Dogmatiek (Th. T.. loia).

Sluiten