Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den religieuzen opzet van Augustinus' zondeleer dreigen te vertroebelen. Is immers, naar de boven ontwikkelde gedachten, de concupiscentia oorspronkelijk niet anders dan straf, die op de zonde volgt, gelijk ook onwetendheid, sterfelijkheid e.a., straks gaat Augustinus leeren, dat deze concupiscentia op zich zelf zonde is, ja gaat hij meer en meer naast de superbia (het ethische beginsel dus) deze concupiscentia (deze zinnelijke, sexueele drang) als het wezen der zonde verstaan, en ziet hij de voortplantingsdrift voor den eigenlijken wortel der erfzonde aan, gedachten, waarin de Katholieke kerk haar kerkvader te vaak is gevolgd.

Augustinus' gedachten zijn op dit punt niet geheel duidelijk: waarschijnlijk staat deze onduidelijkheid in verband met de Godsvoorstelling. Eenerzijds is die bij Augustinus gelijk aan die van Ambrosius: God is de wereldbeheerschende Wil, waartegenover 's menschen zonde bestaat in ongehoorzaamheid en hoogmoed, in superbia dus, die wilsdaad is en schuld. Maar tegelijk — Neoplatonische invloed bij Augustinus! — is die Godswil ook de absolute Substantie, waarin óp te gaan de eenige zaligheid en Vrede des menschen is. Door zijn wil nu tegenover Gods wil te plaatsen, verliest de mensch het genot der Goddelijke Substantie en ruilt dat voor den drang naar het genieten van het lagere en zinnelijke, zoodat de concupiscentia de eigenlijke zonde wordt *). Maar zeker is het, dat door dezen klemtoon op de concupiscentia het schuldkarakter der zonde meer en meer schuil gaat achter de physieke jammer en ellende der zonde, waardoor wij, ook bij Augustinus en trots den zedelijken opzet zijner beschouwingen, boven de typisch Roomsche tegenstelling van natuur en genade (zonde als phvsiek gebrek; genade als hyperphysieke ingieting van krachten) niet uitkomen. —

De theologie in de eeuwen, op Augustinus volgend, is zich in diens gedachten en terminologie blijven bewegen, al heeft men geleidelijk Augustinus' streng opgevatte wilsonvrijheid in semi-pelagiaansche richting omgebogen en, door nu eens dit, dan weer dat element uit het systeem van den kerkvader den klemtoon te geven, in dezelfde vormen wel vaak anderen inhoud geborgen.

Voor Anselmus is de zonde schennis der Goddelijke majesteit, aanranding der Goddelijke eer, zij ligt in den wil en is schuld. „Honorem debitum qui deo nonreddit, aufertdeo quod suum est et deum exhonorat, et hoe est peccare", zonde is „rapuere honorem deo", daarom zware schuld, immers vergrijp aan Gods majesteit: „Nondum considerasti quanti ponderis sit peccatum" *). Dat deze gedachten alleen te verstaan zijn in verband met die over God en den Godsstaat, zoo als zij in het hoofdwerk: Cur Deus homo? zijn ontwikkeld, spreekt vanzelf. Gelijk een koning, die zijn staat regeert, staat God tegenover deze wereld. Het is Zijn eeuwige wil, dat er een rijk Gods zal bestaan, waarin Hij wordt

x) Daarom kan Aug. het booze ook privatio boni noemen! En daarom kan bij Aug. de genade eenerzijds het karakter van schuldvergeving, anderzijds het karakter van physieke vernieuwing (doorbraak van de absolute Substantie in de ziel) hebben, verg. Seeberg, gec. w., II, S. 493.

2) Anselmus, Cur deus homo, I, n; I, 11; I, 21.

Sluiten