Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der zonde geaccentueerd, anderzijds merken wij hier dezelfde onduidelijkheid op, als wij bij Augustinus aantroffen: dat n.1. „trotz der energischen Betonung des geistig wülentlichen Charakters der Sunde, ihr Ursprung doch in der Natur oder fleischlichen Concupiscenz verlegt ytfrü» i). _ Anders weer Duns Scotus. Ook voor hem is de zonde „carentia justitiae originalis". Maar Dunswil niets weten van een physieke voortplanting der zonde: immers, als de zonde in den wil van den mensch schuilt (en ook hierop legt hij allen nadruk), hoe kan die dan het heele lichaam ziek maken? Evenmin ziet hij in de concupiscentia zelf zonde: teekenend is een uitspraak als deze: „concupiscentia est materiale peccati originalis quia per carentiam justitiae originalis qua* erat sicut frenum cohibens ipsam immoderata delectatione, ipsa non positive, sed per privationem, fit prona ad concupiscendum immoderate delectabilia" »).Duns bedoelt dus te zeggen, dat de concupiscentia — dat veel omstreden woord — slechts een zuiver natuurlijken toestand aanduidt, die alleen in zooverre met de zonde iets van doen heeft, als hij zonder de teugel Van de genade, van het donum superadditum, den wil meetrekt naar de zinnelijke neigingen. Méér dan op de erfzonde legt Duns den nadruk op de actueele zonden, waarbij de wil, in plaats van in God, in aardsche goederen uitrust. „Indem nun auf das starkste betont wird, dasz freie Handlungen allein als Sünde anzusehen seien, tritt bei Duns der Charakter der Sünde als Schuld stark hervor. Nicht die Beschaffenheit des Sünders, sondern die freie Tat macht die Sünde zur culpa" zegt Seeberg in zijn aan dezen scholasticus gewijde werk ') ■ '

Voordat wij deze Katholieke Hjn van gedachten in het Tridentinum haar afsluiting laten vinden, kunnen we nog met een enkel woord iets zeggen van de M.E. mystiek, gelijk die in E c k h a r d t, Tau e r, S u s o, in R u u s b r o e c en den onbekenden schrijver van „Theologia Deutsch" haar belangrijkste vertegenwoordigers vond. Waarom het in deze mystiek gaat — in welk een tegenstelling staat zij tot de M.E. scholastiek! — behoeft niet uitvoerig te worden geschetst. Het is dat, waarvan alle mystiek vol is: de vereeniging van de ziel met haar God, het bevrijd worden van het eindige en tijdelijke, het gaan door reiniging en verlichting heen tot dat zeldzame hoogtepunt der verrukking en der zaligheid, waarin de mensch het Allerhoogste en Eenig-wezenhjke Goed mag schouwen. Haar Godsbegrip is neoplatonisch gekleurd: God is het Eene, onnoembare, ongedeelde, het Volstrekt Andere dan de mensch, dat toch in den grond van iedere menschenziel tegenwoordig is (das Fünkelein). Het geloof in, het verlangen naar dezen Eenenen Eenig-werkelijken God sluit in, dat in 's menschen creatuurlijkheid en, sterker nog, in 's menschen ik-wil, in zijn aan-zich-zelf willen-vasthouden, in zijn zelfzucht de groote hinderpaal, de zonde zal gevonden worden. De mensch moet, zegt T a u 1 e r, „entbildet, gebildet, uberbildet" worden. Maar als tijdelijk, zichzelf zoekend mensch, verzet hu zich hiertegen. Dat is zijn zonde. Ruusbroec spreekt van de

*) Verg. Seeberg, gec. w., III, S. 388, 389.

*) Scotus, Comm. in Sent., II, 32.

») Seeberg, die Theologie des D. Sc., S. 582.

Sluiten