Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is Liefde. Het is de toorn en de liefde, waaruit Luthers Godsbegrip wordt opgebouwd, zij 't dan, dat deze beide niet op éénzelfde plan staan. Immers de liefde is Gods wezen, Gods hart, de toorn is slechts het masker, waarachter zich God zelf verbergt1), ja, de toorn Gods waardoor de mensch gebroken wordt, is „ira misericordiae", toorn, die' immers weer Gods zoekende, nooit loslatende liefde openbaart. —

Slechts vanuit dit besef van Gods verpletterende heiligheid, van Gods gericht, dat den mensch met schrik en pijn vervult, isLuthers zondebesef te begrijpen, is ook zijn gansche religie te verstaan. Gewissensrehgion" noemt Holl Luther's religie. „Wer jenes Erbeben vor Gott me bis ins Innerste hinein verspürt hat, bei dem bezweifelt Luther von vornherein den ganzen Ernst der Religion" !). En wat is het dan, dat de mensch in schrik en huivering ervaart, als hij staat voor Gods heiligheid, als Gods absolute eisch in onontwijkbaren ernst tot hem komt? Dan ervaart hij als diepst-bewegende kracht zijner ziel een fich-zelf-zoekendenenzich-zelf-handhavendenikwill Gelijk Luther Gods wezen als „actus purus", als handelenden, scheppenden wil, als Liefdewil ziet, zoo 's menschen wezen eveneens als wil, maar als rusteloos zichzelfzoekendenwil. Deze ik-wil is sterker dan alle andere strevingen, dan alle andere begeerten of idealen in den mensch.») Homo non po test nisi quae sua sunt quaerere et se super omnia diligé're "«). Luther noemt dezen ik-wil ook concupiscentia, maar verstaat dit oude begrip dus wijder en dieper dan de Roomsche dogmatiek zelfs dan Augustinus het heeft gedaan. Het is niet slechts zinnelijke lust, maar booze drang des geestes.die tegen Gods wil opstaat en den mensch innerliik verderft. Van n«n i •■ . .

Luther, dat den meösch aanzet tot „avaritiam, inobedientiam et (ad) caetera vitia, etiam cum dormit"*). De strengste ascese vermag hiertegen mets, het is de samenvatting van alle zinneUjke en geestelijke begeerten, het is, Wjbelsch gesproken, het vleesch, dat tegen den geest begeert. Bovendien persoonlijke schuld, omdat de mensch nooit gedwongen wordt, maar weet vrij het kwade te doen«). Nader noemt Luther het wezen van dezenzondigen ik-wil ongeloof, hoogmoed, ongehoorzaamheid. Hoe kan het anders? Geloof is het eenige, wat van den mensch gevraagd wordt, en geloof is niets anders dan het ernst maken met God het volkomen vertrouwen op, het vólkomen aannemen van Christus' gerechtteheid, waarmede God den mensch wil redden. Dan is de zonde aller zonden dan is de zich van God afwendende en zichzelf handhavende ik-wil ook mets anders dan ongeloof, wantrouwen, ongehoorzaamheid, het zijn, sine metu Dei et fiducia erga Deum" (zooals de Augsb. Conf. het uitdrukt). „Die Hauptgerechtigkeit ist der Glaube, wiederum die Hauptbosheit

*) Ibid.. S. ai.

*) Röm. 2". "'

') DiSDUt.. S. fin nroroe

6) W. A., 18, 394.

Sluiten